Les 14.02 geneeskunde; Van de aanmaak van bloedcellen tot het ontstaan van trombose .......................... 3
Anatomie en fysiologie: H11.1 t/m 11.6 cardiovasculair stelsel ................................................................3
PVV: H7.1 t/m 7.4 en 7.6.2 aandoeningen van het bloed ....................................................................... 10
Les 14.01 klinisch redeneren; het verpleegkundig proces in de praktijk ...................................................15
Leerjaar 1 module 3 les 1.123; het verpleegkundig proces in de praktijk + leerdoelen ................................ 15
Les 14.05 VL: hygiëne en vitale functies .............................................................................................21
Module Hygiëne en interventiepreventie............................................................................................. 21
Module Vitale functies (zie begrippenlijst) ........................................................................................... 21
Les 14.04 klinisch redeneren: de verschillende classificatiesystemen ......................................................32
Leerdoelen ..................................................................................................................................... 32
Module 1 ....................................................................................................................................... 32
Module 3: les 1.103 eht omaha systeem ............................................................................................. 32
Les 14.07 Geneeskunde Schilfers, jeuk en roodheid .............................................................................36
PVV: hoofdstuk 17 aandoeningen van de huid ..................................................................................... 36
BSL: diagnostiek van alledaagse klachten hoofdstuk 61 en 65 ................................................................ 36
Les 14.10 VL: wondzorg en zwachtelen ..............................................................................................36
Module Zwachtelen (compressietherapie) ........................................................................................... 36
Module Soorten wonden .................................................................................................................. 41
Module wondzorg ........................................................................................................................... 48
Module thoraxdrains ....................................................................................................................... 49
Les 14.09 Klinisch redeneren; hoe proactief ben jij als verpleegkundige (oefenen zie powerpoint) ..............53
PowerPoint met de leerdoelen ........................................................................................................... 53
Les 14.12 geneeskunde endocrinologie..............................................................................................59
PVV; Hoofdstuk 12 aandoeningen v/h hormoonstelsel 12.1 t/m 12.5 en 12.7 ........................................... 59
Anatomie en fysiologie: 10.1 t/m 10.4 het endocriene stelsel aanvulling (chatgpt).................................... 68
Les 14.17 geneeskunde nierproblematiek ..........................................................................................69
Leerdoelen ..................................................................................................................................... 69
, PVV: aandoeningen van het urinewegstelsel H10.1 t/m 10.3 + 10.5 ........................................................ 70
Anatomie en fysiologie: het urinair stelsel 18.8 .................................................................................... 80
Les 14.20 VL katheterzorg ................................................................................................................83
Man .............................................................................................................................................. 83
Suprapubische katheter (via buikwand) .............................................................................................. 85
Les 14.22 geneeskunde spijsverteringsstelsel ......................................................................................88
PVV: H9 aandoeningen van het spijsverteringsstelsel 9.7.6 tm 9.7.8 en 9.8 .............................................. 88
BSL: H31 de patiënt met acute buikpijn............................................................................................... 92
Les 14.25 VL-voeding ......................................................................................................................95
Sondevoeding; neus-maagsonde ....................................................................................................... 95
Sondevoeding; sonde door de buikwand ............................................................................................. 97
,Les 14.02 geneeskunde; Van de aanmaak van
bloedcellen tot het ontstaan van trombose
Als ergens geen achter staat, dan moet het nog omgezet worden. Het is dan meestal een
stofwisselingsproces, een voorloper stof.
Anatomie en fysiologie: H11.1 t/m 11.6 cardiovasculair stelsel
11.1 functies en eigenschappen van het bloed
Bloed is een gespecialiseerd type bindweefsel dat bestaat uit cellen die zich in een vloeibare
matrix bevinden. Functies van het bloed:
1. Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en afvalproducten. Van
bijvoorbeeld zuurstof uit longen naar weefsel en koolstofdioxide uit weefsel naar de
longen.
2. Stabilisering van de pH en de ionensamenstelling van de interstitiële vloeistof in het
gehele lichaam.
3. Beperking van het vloeistofverlies bij verwonding. Bloedstolling
4. Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers. Bloed vervoert Leukocyten (witte
bloedcellen) en antistoffen die lichaamsvreemde stoffen aanvallen.
5. Stabilisering van de lichaamstemperatuur. Bloed neemt warmte op die door
skeletspieren wordt gevormd en voert dit naar andere weefsels.
Eigenschappen van het bloed:
• Temperatuur is 38 graden
• Hoge viscositeit (=weerstand)
• Licht basisch met een pH van 7,35 en 7,45
Bloed wordt meestal afgenomen bij een vene op de voorkant van elle boog → venapunctie.
1) Het is makkelijk te lokaliseren 2) dun en 3) bloeddruk is laag waardoor de prikwond snel
geneest.
Bloed uit de capillairen kan via vingertop of oorlel worden verkregen, het bloed wordt
gebruikt om een bloedstrijkje te maken en wordt vervolgens met kleurstoffen behandeld om
de bloedcellen zichtbaar te maken.
Bloed uit arteriën (=arteriele punctie, meestal uit pols of elle boog) kan gebruikt worden om
de efficiëntie van gaswisseling ter hoogte van de longen te meten.
, 11.2 functies en samenstelling bloedplasma
Plasma vormt het grootste deel van het volume van het bloed. Het bestaat uit:
• Water → houdt warmte vast
• Overige opgeloste stoffen
• Organische afvalstoffen
• Organische voedingsstoffen
• Elektrolyten
• Kalium
• Natrium
• Calcium
• Bicarbonaat
• Magnesium etc.
• Plasma- eiwitten (7%)
• Albumine → Belangrijk voor het handhaven van osmotische druk in plasma.
• Globuline → Transporteiwitten (binden aan kleine verbindingen die anders
bij nieren worden uitgescheiden of slecht in wateroplosbaar zijn) en
antistoffen (=immunoglobinen)
• Fibrinogeen → bloedstolling. Er ontstaan strengen fibrine dat het raamwerk
vormt van een bloedstolsel. Vloeistof dat overblijft nadat de stollingseiwitten
zijn verwijderd heet serum.
11.3 erytrocyten, hemoglobine en erytropoëse
Erytrocyten (=rode bloedcellen)
Bevat kleurstof hemoglobine, dat zuurstof en koolstofdioxide bindt en vervoert. Het aantal
rode bloede bloedcellen per microliter= hemacriet. Dat is het volumepercentage erytrocyten
in vol bloed. Dit wordt ook in het dossier vermeld na een bloedonderzoek. Het % neemt toe
bij uitdroging en neemt af als gevolg van inwendige bloedingen.
Structuur
De ongewone vorm (figuur b) heeft 2 effecten op het functioneren:
1. Het geeft een groot oppervlakte ten opzichte van de inhoud waardoor de
infusiesnelheid wordt verhoogd, met omringende bloedplasma en tussen cytoplasma
2. Het maakt de rode bloedcellen flexibel, zodat ze door capillairen passen
Tijdens de ontwikkeling verliezen de rode bloedcellen veel organellen, ze behouden
cytoskelet. Door het missen van een kern en ribosomen kunnen ze zich niet delen en eiwitten
vormen en dus ook niet herstellen. Energie halen ze uit de glucose van omringende
bloedplasma.