Verdiepen in vakdidacti eken
Pagina 2-17 Reader
Beginnende geletterdheid
Jonge kinderen kunnen spelenderwijs leren dat je met geschreven taal informatie kunt
overbrengen, bijvoorbeeld door het interactief voorlezen van prentenboeken.
De drie stadia van geletterdheid
Ontluikende geletterdheid: voorschoolse periode. 0-4 jaar: mondeling communiceren.
Maken kennis met geschreven taal in de vorm van boeken etc. Het doel hiervan is dat
kinderen vertrouwd raken met teksten en letters. Een aantal kinderen probeert in deze
periode ook al schriftelijk te communiceren in de vorm van tekeningen, beelden en eigen
logo’s.
Beginnende geletterdheid: vanaf groep 1 tot het moment dat de kinderen de elementaire
leeshandeling onder de knie hebben. Kinderen maken zich vaardigheden eigen die belangrijk
zijn voor het leren lezen. Het formele leesonderwijs gebeurt vanaf groep 3. Vanaf dat
moment krijgen kinderen doelgerichte lees- en schrijfinstructie met een methode voor
aanvankelijk lezen. Ze ontdekken het principe van het alfabetisch schrift. De meeste
kinderen leren in groep 3 de elementaire leeshandeling uit te voeren. Ook leren ze
schriftelijk met anderen te communiceren.
Gevorderde geletterdheid: de fase vanaf het moment dat kinderen de elementaire
leeshandeling beheersen. Meeste leerlingen vanaf tweede helft groep 3. Hier automatiseren
en perfectioneren de kinderen hun lees- en schrijfvaardigheden, door veel te oefenen en
door het toepassen van strategieën. Tekstsoorten leren zij herkennen aan de opbouw en ze
leren de samenhang tussen teksten. Leesaanpakken aan de tekstsoort aanpassen leren hoort
hier ook bij. Ze leren informatie en ervaringen op te schrijven en kunnen schriftelijk
communiceren met anderen.
Tussendoelen beginnende geletterdheid
1. Boekoriëntatie
Vooral in groep 1. Kinderen leren dat illustraties en tekst samen een verhaal
vertellen. Een boek lees je van voor naar achter en een bladzijde van boven naar
beneden. Regels van links naar rechts. Verhalen hebben een opbouw. Aan de hand
van de omslag kunnen kinderen voorspellen waar het boek over gaat. Ze kunnen ook
vragen over het boek stellen.
2. Verhaalbegrip
Voorlezen stimuleert de ontwikkeling van het verhaalbegrip. Kinderen leren
conclusies trekken naar aanleiding van een voorgelezen verhaal. Ze leren ook om
voorspellingen te doen over het verloop van het verhaal. Ze leren dat er in een
verhaal hoofdpersonen zijn, een plot is en dat dat probleem vaak wordt opgelost. Het
voorgelezen verhaal kunnen ze naspelen of vertellen, in het begin en daarna zonder
ondersteuning van de illustraties.
3. Functies van geschreven taal
Geschreven taalproducten hebben een doel. Ze herkennen symbolen zoals logo’s en
pictogrammen en weten waarnaar deze verwijzen. Ze zijn zich bewust van het
permanente karakter van geschreven taal en weten dat je door middel van tekenen
en tekens kunt communiceren. Ze weten wanneer er sprake is van lezen en schrijven
en kunnen dit onderscheiden.