Week 1 – Gebondenheid aan het contract
Literatuur
Oneigenlijke dwaling = partijen hadden een onjuiste voorstelling omtrent de inhoud van
de door hen uitgewisselde verklaringen
- In het geval van oneigenlijke dwaling heeft de verkeerde veronderstelling van de
dwalende betrekking op de betekenis van de door hem afgelegde verklaring
Gevallen:
• De inhoud van de verklaring berust op een verspreking of verschrijving
• De inhoud van de verklaring wordt onjuist overgebracht door
communicatiemiddel of bode
• De inhoud van de verklaring wordt door partijen verschillend opgevat als
gevolg van dubbelzinnig woordgebruik (misverstand)
• De verklaring richt zich tot een door de afzender niet bedoeld persoon
(afdwaling)
Kennisclip 1: wilsvertrouwensleer
• Een rechtshandeling is een handeling met een beoogd rechtsgevolg
• De vernietiging van een rechtsgevolg heeft terugwerkende kracht
• Het plegen van een onrechtmatige daad is een rechtsfeit
• Iedere rechtshandeling is ook een rechtsfeit
• Een nietige rechtshandeling kan niet vernietigd worden
• Het is niet altijd nodig dat de rechtshandeling op schrift wordt gesteld
• Soms is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om een beroep te doen
op het gerechtvaardigde vertrouwen
Kennisvragen
• Wat zijn de voorwaarden voor de totstandkoming van een rechtshandeling?
• Wat is het gevolg als hieraan niet is aan voldaan?
Casus wilsvertrouwensleer
• Dhr. Flink is op zoek naar een stoel en hij gaat naar de winkel Stijvol wonen
waar de eigenares Mw. Bolt is. In de winkel ziet hij 4 exacte zelfde stoelen met
een duidelijk zichtbaar prijskaartje. De eerste drie zijn 399,- en de vierde is
3,99 geprijsd. Meneer Flink zegt dat hij de laatste wil voor 3,99, maar mevrouw
Bolt zegt dat er sprake is van een fout want deze moest ook 399,- worden
geprijsd. Ze wil deze stoel dus niet verkopen voor 3,99
• De vraag is nu of er tussen hen een geldige koopovereenkomst tot stand is
gekomen?
o Herhaling totstandkoming overeenkomst
▪ Voor een rechtshandeling is een wil nodig die via een verklaring
openbaar wordt gemaakt = wilsverklaring
• Ze moeten met elkaar overeenstemmen → art. 3:33 BW,
dan geldige rechtshandeling
, ▪ Als er sprake is van wilsovereenstemming in de vorm van
aanbod en aanvaarding dan is er nu sprake van een
overeenkomst → art. 6:217 BW
o Mw. Bolt heeft verklaard dat ze de stoel voor 3,99 wil verkopen → art
3:37 BW. Maar haar wil was om de stoel voor 399,- te verkopen. Bij
meneer Flink stemde de wil en de verklaring overeen, namelijk beide
kwamen erop neer dat hij de stoel voor 3,99 wilde kopen. Bij mevrouw
Bolt liep de verklaring en de wil uiteen. Bij meneer Flink is er dus wel
een geldige rechtshandeling tot stand gekomen, maar bij mevrouw bolt
niet
o Er was dus geen wilsovereenstemming in de vorm van aanbod en
aanvaarding en dus lijkt er geen overeenkomst tot stand gekomen
tussen hen.
o Dit kan anders zijn als er bij meneer Flink sprake was van
gerechtvaardigd vertrouwen, dit is geregeld in art 3:35 BW. Dat zou
betekenen dat hij er redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat zij de
stoel voor 3,99 aan hem wilde verkopen. Goede trouw van art. 3:11 BW
speelt hier een grote rol bij en ook dat er een onderzoeksplicht rust op
de persoon die zich op het gerechtvaardigd vertrouwen wil beroepen.
In dit geval is er geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen. Hij had
kunnen begrijpen dat er sprake was van een fout
o Doordat er bij meneer flink geen sprake was van gerechtvaardigd
vertrouwen kan mevrouw Bolt tegenover hem een beroep op doen dat
haar wil en verklaring niet overeenstemden met elkaar
o Er komt geen koopovereenkomst tot stand
Kennisclip 2: vertegenwoordiging
• Volmachtsverlening houdt in dat zij hem de bevoegdheid geeft om namens
haar rechtshandelingen te verrichten. Zij is dan de volmachtgever en hij dan
de gevolmachtigde → art. 3:60 BW
• Zij houdt zelf ook de bevoegdheid om die rechtshandeling aan te gaan
• Als de gevolmachtigde gebruikt maakt van de volmacht om een
rechtshandeling aan te gaan met een wederpartij, dan gebeurt er dat de
gevolmachtigde er als het ware tussen uit valt en dat er een rechtshandeling
tot stand komt tussen de volmachtgever en de wederpartij → art. 3:66 lid 1
BW
• Complicaties
o Art. 3:60 BW: ‘in zijn naam’
▪ Nu kan het onduidelijk zijn in wiens naam de handelende partij
heeft gehandeld, heeft hij het gedaan in zijn naam
(volmachtgever) of in eigen naam
▪ Als de handelende persoon gehandeld heeft ‘in zijn naam’ dus
in dit voorbeeld van de dame de volmachtgever dan is er een
rechtshandeling tot stand gekomen tussen de volmachtgever
en de wederpartij → art. 3:66 lid 1 BW
, ▪ Als de handelende persoon gehandeld heeft in zijn eigen naam
komt er een rechtshandeling tot stand tussen de handelende
partij en de wederpartij
o Hoe bepalen we dit?
▪ Kribbebijter HR 11 Maart 1977 NJ 1977/521
• Of iemand in eigen naam of die van een ander optreedt
hangt af van hoe de feitelijk handelende personen over
en weer hebben verklaard en hetgeen zij uit elkaars
verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.
o Als er sprake is van een volmacht verlening houdt
dat in dat iemand in naam van een ander handelt
en zal gewoonlijk de volmachtgever gebonden zijn
aan die rechtshandeling. Als iemand in eigen
naam handelt is er geen sprake van volmacht
verlening en bindt de handelende partij in
principe alleen zichzelf
o De gevolmachtigde kan zijn bevoegdheid gebruiken voor iets anders
dan waar hij voor bedoeld is, hij kan de wederpartij dan een ander
voorstel doen wat dus niet mag. Stel hij doet dit en dat de wederpartij
instemt met die rechtshandeling. De volmachtsgever is het hier niet
mee eens en zij geeft aan dat ze deze rechtshandeling niet had gewild
▪ Dit is het ontbreken (toereikende) volmacht en van een
pseudogevolmachtigde
▪ De hoofdregel is dat er in zoon geval geen rechtshandeling tot
stand komt tussen de pseudo-volmachtgever en de wederpartij
→ art. 3:66 lid 1 BW
▪ De wederpartij kan hier niet blij mee zijn en kan beschermd
worden door het gerechtvaardigd vertrouwen
• Art 3:61 lid 2 BW: ‘Op grond van een verklaring of
gedraging van die ander’ (Tedoen-beginsel)
• Van belang is het arrest ING/Bera Holding HR 19
februari 2010 NJ 2010/115
o Toerekening van schijn van volmacht verlening
aan de vertegenwoordigde kan ook als
wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op
grond van feiten en omstandigheden die voor
risico van de vertegenwoordigde komen en
waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn
van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden
afgeleid. (risicobeginsel)
▪ Als er sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen bij de
wederpartij dan komt er toch een rechtshandeling tot stand
tussen de pseudo-volmachtgever en de wederpartij → art. 3:66
lid 2 bw
, •
o Albers volmachtverlening aan Berendse waarin staat max 150000,-
Berends was niet bevoegd om er 160000,- van te maken en dit had hij
ook op de schriftelijke volmacht getoond aan wederpartij Draver.
Draver heeft met dit bedrag ingestemd, Albers is het hier niet mee eens
en is ook niet van plan om te betalen. Hij doet een beroep op de
onbevoegdheid van Berendse.
o De hoofdregel is dat er tussen pseudo-volmachtgever Albers en
wederpartij Draver geen koopovereenkomst tot stand is gekomen met
een bedrag van 160000,- → art 3:66 lid 1 BW
o Draver wordt evt beschermd tegen de onbevoegdheid, maar dan moet
er bij haar wel sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen in het
bestaan van een toereikende volmacht
▪ Art. 3:61 lid 2 BW: ‘Op grond van een verklaring of gedraging van
die ander’
▪ Hoge raad (ING/Bera): feiten en omstandigheden die voor risico
van de vertegenwoordigde komen
o Er lijkt in dit geval inderdaad sprake zijn van gerechtvaardigd
vertrouwen bij mw Draver, dat is gebaseerd op een handling van Albers.
Hij heeft immers aan Berendsen een volmacht verstrekt zonder een
maximum van koopsom en die is aan mevrouw Draver getoond. Er is
dus wel een geldige rechtshandeling tot stand gekomen tussen Albers
en Draver, namelijk koopovereenkomst met betrekking tot het perceel
met een koopsom van 160000,- → art 3:61 lid 2 BW
• Vraag 2: Gesteld dat Albers gebonden is aan de overeenkomst met Draver,
kan hij Berendsen dan met succes aanspreken tot vergoeding van de schade
die hij lijdt doordat hij voor het perceel 10000,- meer moet betalen dan hij er
zelf voor wilde betalen?
o Het is inderdaad mogelijk, omdat het evt. gebruik volmacht behoorlijk
moet zijn tegenover de volmachtgever. Berendse is dus aansprakelijk
op grond van een toerekenbare tekortkoming
o Als de volmachtsverlening was ingebed in een contractuele
verhouding, zoals een (overeenkomst van) opdracht → Art 7:400 BW,
schiet Berendsen tekort in de nakoming van de verbintenis die uit deze
overeenkomst voortvloeit. Albers kan hem dan dus aanspreken tot
schadevergoeding art. 6:74 e.v. BW