1: Het ontstaan van de IR
- Niet snel zoals een revolutie, maar geleidelijk aan
- Industriele samenleving: ‘ waarin de meeste geodeten in fabrieken
worden gemaakt en waarin de meeste mensen in steden leven
- Industrialisatie: verandering van agrarisch naar industrieel
- Eerst GB ( rond 1750), toen Belgie (1800), West-Europa, Vs (na 1800),
Oost-Europa en Japan (eind 19e eeuw) en in 20e eeuw rest van de wereld
(bleef vooral agrarisch, omdat het vaak kolonien waren)
2: Veranderingen in het gebruik van arbeid
- Machines gingen arbeid overnemen
- Arbeidsverdeling: arbeiders verrichten steeds dezelfde kleine handeling
(als eerste door Ford)
- Massaproductie was sneller en goedkoper, producten waren betaalbaarder
en makkelijk te repareren
3: Veranderingen in het gebruik van de natuur
- Stroom, verbranding olie en gassen, elektriciteit, (kern, wind, zonne
energie)
- Siemens verbetert dynamo: veel stroom opwekken: gloeilampen van
Philips
- Olie als brandstof en grondstof: kunstrubber, asfalt, wasmiddelen,
kunstofvezels meer industrie
4: Veranderingen in het gebruik van de techniek
- Communicatie versnelt door uitvinding telegraaf (Morse 1837), telefoon
(Bell 1876) en draadloze telegraaf (Marconi 1896)
- Fonograaf/ grammofoon
- Radio
- Geluidloze film, televisie in 20e eeuw
- Pc na WOII, internet informatie en communicatie veranderd
- Spoorwegen
- Stoomboten: zware vracht, contact tussen werelddelen
- Eind 19e eeuw: benzinemotor, 20e eeuw: auto massaproduct
- Vliegtuig: beperkt in WOI, na WOI eco. betekenis, 1930: personenvervoer
5: Verandering in het kapitalisme: van handelskapitalisme naar industrieel
kapitalisme
- Kenmerken van industrieel kapitalisme: 1. Fabrieken en mijnen
belangrijkste bedrijven 2. Productie in handen van fabrikanten en
grootindustrielen (mensen die meerdere fabrieken bezitten) 3. Vanaf
1870 worden meeste bedrijven nv’s.
- Overheid gaat zich eind 19e eeuw meer bemoeien met economie
6: Verandering in gelaagdheid van de bevolking