Geowijzer h1, kaart en atlas
1.1 Wat is aardrijkskunde?
Aardrijkskunde brengt mensen een beeld van de wereld om hen heen. De kennis van de
aardrijken is de letterlijke vertaling van aardrijkskunde. Het gaat over de kennis over landen of
groepen mensen.
• Fysische geografie / natuurkundige aardrijkskunde: natuurkundige processen die het landschap
vormen
• Sociale geografie: bestudeert de rol van de mens op aarde
1.2 Geografisch leren kijken
Een actueel wereldbeeld is een must om de wereld om ons heen te begrijpen. Een actueel
wereldbeeld wordt ook wel een mental image genoemd. Een actueel wereldbeeld wordt gevormd
door gebeurtenissen die iemand meemaakt.
Aan de hand van de geografische vierslag leren kinderen systematisch naar de wereld om hen
heen te kijken. Deze bestaat uit de geografische zienswijze en is op te delen in 5 vaardigheden:
1. Waarnemen: wat zie je?
2. Beschrijven: waar zie je dat?
3. Verklaren: waarom is het daar?
4. Generaliseren: waar heb je dat eerder gezien?
5. Waarderen: wat betekent dat voor mij?
Je kan deze vaardigheden toepassen op natuurlijke en menselijke factoren. Menselijke factoren
zijn op te delen in economische, politieke, culturele en demografische factoren. Dit valt onder
multiperspectiviteit.
Daarnaast is er ook nog meervoudig bronnengebruik. Dit zijn de omgeving, multimedia, kaarten
en tekst.
1.3 Schaal
Aardrijkskunde methode hanteren een opbouw van expanding horizon, van dichtbij naar veraf.
Hierbij spelen de verschillende schaalniveaus een rol:
• Lokaal: de straat, wijk
• Regionaal: de regio
• Nationaal: het land
• Continentaal: meer dan één land, het werelddeel
• Mondiaal: de wereld
Schaal kan op een kaart worden weergegeven door een schaalgetal (1:1000) of een schaalstok
(een lat). Hierbij heb je een kleinschalige kaart, daarbij is de werkelijkheid zeer verkleind (dus een
grote schaal) en een grootschalige kaart, daarbij is de werkelijkheid minder verkleind (dus een
kleine schaal).
1.4 Atlas
Een atlas is een bundeling van verschillende kaarten. Hiervan zijn globaal twee groepen te
onderscheiden: overzichtskaarten en thematische kaarten. Overzichtskaarten zijn te verdelen in:
• Staatkundige overzichtskaart: worden landen weergegeven
• Natuurkundige overzichtskaart: natuurlijke verschijnselen weergegeven zoals rivieren
Een thematische kaart toont een bepaald onderwerp.
Kaarten bestaan ook weer uit verschillende zaken:
• Vlaksymbolen: bosgebieden, heide etc
• Lijnsymbolen: rivieren, hoogtelijnen
• Puntsymbolen
• Topografische namen
• Coördinatenstelsel
Een geografisch informatiesysteem (GIS) is een computersysteem dat geografische data verwerkt
en opslaat. Het geeft de mogelijkheid om thematische data te combineren.
Remote sensing gaat over op afstand waarnemen. Dit gebeurd vanuit satellieten die permanent
rond de aarde draaien.
1.5 Plaatsbepaling op aarde
,Aan de hand van het Global Positioning System (GPS) kun je nu overal kijken waar je je bevindt
op de wereld.
Over het midden van de aarde loopt de evenaar (ook wel equator). Dit is de 0º lijn en deze deelt
de wereld op in een noordelijk en zuidelijk halfrond. Hierbij zijn 180 lijnen die van oost naar west
lopen: de breedtegraden. Hierbij zijn de noordpool en zuidpool beiden 90º.
De lijnen die van de noordpool naar de zuidpool lopen geven de lengtegraden aan. Deze halve
cirkels worden meridianen genoemd. Hier zijn er 360 van.
Deze lijnen delen de aarde op in vakken en dit wordt het vakkenstelsel genoemd. Wanneer de de
lijnen combineert spreek je van geografische coördinaten.
Geowijzer h6, bevolking en ruimtelijke inrichting
6.1 Bevolkingsaantallen
Demografie is de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van de veranderingen van
de bevolking. Ze kijken hierbij naar geboorte en sterfte (natuurlijke factoren) en immigratie en
emigratie (sociale factoren).
Het geboortecijfer is het aantal levendgeborenen per 1000 inwoners per jaar. Dit is van veel
factoren afhankelijk, zoals emancipatie van de vrouw en anticonceptie. Het sterftecijfer is het
aantal sterfgevallen per 1000 inwoners per jaar. Hierbij heb je ook te maken met
zuigelingensterfte. Dit zijn kinderen die binnen het eerste levensjaar overlijden.
Migratie is de verandering van woonplaats van mensen. Bij emigratie verlaat iemand een land,
immigratie is het binnenkomen van een land. Deze samen kunnen leiden tot een
vestigingsoverschot of een vertrekoverschot.
Een model om hier inzicht in te geven is het demografisch transitiemodel. Hierin wordt
aangegeven hoe landen van een hoog sterfte- en geboortecijfer naar een laag sterfte- en
geboortecijfer gaan.
6.2 Leeftijdsopbouw van de bevolking
De demografische kenmerken (leeftijd) worden weergegeven in een bevolkingsdiagram. Hierin kun
je de leeftijd van mannen en vrouwen aflezen. Hier zijn drie soorten van:
• Piramide: veel jongeren
• Granaatvorm: elke groep ongeveer even groot
• Uivorm: verouderende bevolking
De demografische druk geeft de verhouding tussen productieve en niet-productieve deel van de
bevolking weer. De productieve bevolking zijn de werkende tussen de leeftijd 20 tot 64 jaar. Om
de demografische druk te meten, deel je het aantal niet-productieve door de productieve en doet
dit keer 100%. Hoe hoger dit percentage, hoe meer mensen er werkend zijn. Hierbij spelen
vergrijzing en ontgroening een belangrijke rol.
6.3 Buitenlandse migratie
Als mensen migreren spelen daarbij altijd push and pull factoren een rol. Push factoren zijn
vertrekfactoren, pull factoren zijn vestigingsfactoren. Deze factoren zijn in te delen in drie soorten:
• Politieke factoren: vluchten vanwege veiligheid (oorlog)
• Economische factoren: op zoek naar een beter leven
• Fysische factoren: natuurlijke factoren zoals klimaat
Door de migratie kun je de bevolking opdelen in allochtonen en autochtonen. Allochtonen zijn
elders afkomstig, autochtonen hebben ouders die beiden geboren zijn in het land.
Door de vele migratie naar Nederland heeft dit geleid tot een multiculturele samenleving, er wonen
veel verschillende soorten mensen en culturen in Nederland.
6.4 Binnenlandse migratie
Ook binnen een land vinden er verhuizingen plaats. De industrialisatie was van grote invloed voor
de urbanisatie (verstedelijking). Het platteland werd steeds meer geregeld door machines en dit
was een belangrijke push factor voor mensen om naar de stad te verhuizen om daar te gaan
werken. Maar dit had ook negatieve gevolgen. Het werd er druk en de rijkere stedelingen zochten
naar een prettigere woonomgeving. Zij verhuisde naar het platteland (suburbanisatie). Vanuit deze
plaatsen was het werk alsnog goed bereikbaar.
Na de tweede wereldoorlog was er veel behoefte aan woningen. Het toepassen van systeembouw
zag je steeds meer. Er werden veel flats gebouwd. Er werd veel gebouwd, maar dit was op
, specifieke plaatsen en niet door het hele land. Om te voorkomen dat alles volgebouwd werd,
stelde de overheid het Groene Hart in, en werd er een spreidingsbeleid ingevoerd die bestond uit
drie onderdelen:
1. Er werden groeisteden aangewezen
2. Regionale subsidies ter verbetering van de infrastructuur
3. De vestiging van bedrijven in de randstand werd afgeremd
6.5 Stad en platteland
Het is tegenwoordig moeilijk om stad en platteland van elkaar te onderscheiden. Vroeger werd
hierbij gekeken naar de stadsrechten, tegenwoordig wordt er gekeken naar de
bevolkingsdichtheid, voorzieningen etc. Wanneer een stad zo ver groeit dat deze tegen een
nabijgelegen dorp komt, wordt dit een agglomeratie.
Geowijzer h7, grenzen en identiteit
7.1 Soorten grenzen
Er zijn politieke en natuurlijke grenzen.
• Natuurlijke grens: door een woestijn of oceaan etc
• Politieke grens: grenzen tussen gemeentes en is bedacht door mensen (ook wel kunstmatige
grens)
Sinds 2015 zijn er 393 gemeenten en de samenstelling hiervan kan eens in de vier jaar gekozen
worden. Hierbij kan iedere inwoner van 18+ gekozen worden als hij dat wil. De burgermeester is
voorzitter van de gekozen gemeenteraad. Hij wordt gekozen door de minister van binnenlandse
zaken.
Nederland heeft 12 provincies. Het bestuur hiervan bestaat uit provinciale staten, gedeputeerde
staten en de commissaris van de koning.
• Provinciale staten: bepalen in hoofdlijnen het beleid en controleren gedeputeerde staten
• Gedeputeerde staten: worden gekozen door de provinciale staten, zijn het dagelijks bestuur
• Commissaris van de koning: voorzitter van de provinciale staten
De rijksoverheid bestaat uit de regering en het parlement, de eerste en tweede kamer vormen het
parlement.
• Eerste kamer: gekozen door provinciale staten, beoordelen wetsvoorstellen, 75 zetels
• Tweede kamer: gekozen door burgers, na een debat benoemen zij de informateur, 150 zetels
• Informateur: onderzoekt welke partijen een nieuw kabinet kunnen vormen, opstellen van
regeerakkoord, stelt de kamer een formateur voor
• Formateur: zoekt kandidaten voor alle ministersposten, is meestal de toekomstige minister-
president
Dan zijn er nog de waterschappen. Hierbij zijn dijkgraven die de waterhuishouding in de gaten
houden van dat specifieke gebied. Het gaat daarbij om oppervlaktewater, zij houden zich dus niet
bezig met drinkwater. De grenzen van een waterschap worden bepaald door de stroomgebieden.
7.2 De Europese Unie
Na de twee wereldoorlogen zijn de landen tot de conclusie gekomen dat dit nooit meer mag
gebeuren en dus zijn ze een samenwerking gestart. Dit begon met de Europese Gemeenschap
voor Kolen en Staal (EGKS). Dit was een economisch succes, dus wilde meer landen zich
aansluiten. De Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht. Dit werd steeds
breder en niet meer enkel economisch, dus werd het de Europese Gemeenschap (EG). Maar er
werd gestreefd naar Europese eenwording, dus de naam werd opnieuw veranderd naar Europese
Unie (EU). Dit werd vastgesteld in het verdrag van Maastricht.
Als je als nieuw land de EU wilde intreden moet je aan drie criteria voldoen:
1. Het land moet stabiele instellingen hebben die de democratie en rechtsstaat garanderen
2. Het land moet een goed draaiende markteconomie hebben
3. Het land moet de verplichtingen van het lidmaatschap op zich te nemen
7.3 Bestuur in de Europese Unie
• De Europese raad: regeringsleiders van de landen, de voorzitter hiervan is Europees president,
ze nemen besluiten over het toekomstige beleid en over waar de ministers niet uitkwamen
• Raad van ministers: bestaat uit één minister uit elk land van de EU. Welke dat is is afhankelijk
van het onderwerp, nemen beslissingen over voorstellen van de Europese commissie en
Europees parlement
1.1 Wat is aardrijkskunde?
Aardrijkskunde brengt mensen een beeld van de wereld om hen heen. De kennis van de
aardrijken is de letterlijke vertaling van aardrijkskunde. Het gaat over de kennis over landen of
groepen mensen.
• Fysische geografie / natuurkundige aardrijkskunde: natuurkundige processen die het landschap
vormen
• Sociale geografie: bestudeert de rol van de mens op aarde
1.2 Geografisch leren kijken
Een actueel wereldbeeld is een must om de wereld om ons heen te begrijpen. Een actueel
wereldbeeld wordt ook wel een mental image genoemd. Een actueel wereldbeeld wordt gevormd
door gebeurtenissen die iemand meemaakt.
Aan de hand van de geografische vierslag leren kinderen systematisch naar de wereld om hen
heen te kijken. Deze bestaat uit de geografische zienswijze en is op te delen in 5 vaardigheden:
1. Waarnemen: wat zie je?
2. Beschrijven: waar zie je dat?
3. Verklaren: waarom is het daar?
4. Generaliseren: waar heb je dat eerder gezien?
5. Waarderen: wat betekent dat voor mij?
Je kan deze vaardigheden toepassen op natuurlijke en menselijke factoren. Menselijke factoren
zijn op te delen in economische, politieke, culturele en demografische factoren. Dit valt onder
multiperspectiviteit.
Daarnaast is er ook nog meervoudig bronnengebruik. Dit zijn de omgeving, multimedia, kaarten
en tekst.
1.3 Schaal
Aardrijkskunde methode hanteren een opbouw van expanding horizon, van dichtbij naar veraf.
Hierbij spelen de verschillende schaalniveaus een rol:
• Lokaal: de straat, wijk
• Regionaal: de regio
• Nationaal: het land
• Continentaal: meer dan één land, het werelddeel
• Mondiaal: de wereld
Schaal kan op een kaart worden weergegeven door een schaalgetal (1:1000) of een schaalstok
(een lat). Hierbij heb je een kleinschalige kaart, daarbij is de werkelijkheid zeer verkleind (dus een
grote schaal) en een grootschalige kaart, daarbij is de werkelijkheid minder verkleind (dus een
kleine schaal).
1.4 Atlas
Een atlas is een bundeling van verschillende kaarten. Hiervan zijn globaal twee groepen te
onderscheiden: overzichtskaarten en thematische kaarten. Overzichtskaarten zijn te verdelen in:
• Staatkundige overzichtskaart: worden landen weergegeven
• Natuurkundige overzichtskaart: natuurlijke verschijnselen weergegeven zoals rivieren
Een thematische kaart toont een bepaald onderwerp.
Kaarten bestaan ook weer uit verschillende zaken:
• Vlaksymbolen: bosgebieden, heide etc
• Lijnsymbolen: rivieren, hoogtelijnen
• Puntsymbolen
• Topografische namen
• Coördinatenstelsel
Een geografisch informatiesysteem (GIS) is een computersysteem dat geografische data verwerkt
en opslaat. Het geeft de mogelijkheid om thematische data te combineren.
Remote sensing gaat over op afstand waarnemen. Dit gebeurd vanuit satellieten die permanent
rond de aarde draaien.
1.5 Plaatsbepaling op aarde
,Aan de hand van het Global Positioning System (GPS) kun je nu overal kijken waar je je bevindt
op de wereld.
Over het midden van de aarde loopt de evenaar (ook wel equator). Dit is de 0º lijn en deze deelt
de wereld op in een noordelijk en zuidelijk halfrond. Hierbij zijn 180 lijnen die van oost naar west
lopen: de breedtegraden. Hierbij zijn de noordpool en zuidpool beiden 90º.
De lijnen die van de noordpool naar de zuidpool lopen geven de lengtegraden aan. Deze halve
cirkels worden meridianen genoemd. Hier zijn er 360 van.
Deze lijnen delen de aarde op in vakken en dit wordt het vakkenstelsel genoemd. Wanneer de de
lijnen combineert spreek je van geografische coördinaten.
Geowijzer h6, bevolking en ruimtelijke inrichting
6.1 Bevolkingsaantallen
Demografie is de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van de veranderingen van
de bevolking. Ze kijken hierbij naar geboorte en sterfte (natuurlijke factoren) en immigratie en
emigratie (sociale factoren).
Het geboortecijfer is het aantal levendgeborenen per 1000 inwoners per jaar. Dit is van veel
factoren afhankelijk, zoals emancipatie van de vrouw en anticonceptie. Het sterftecijfer is het
aantal sterfgevallen per 1000 inwoners per jaar. Hierbij heb je ook te maken met
zuigelingensterfte. Dit zijn kinderen die binnen het eerste levensjaar overlijden.
Migratie is de verandering van woonplaats van mensen. Bij emigratie verlaat iemand een land,
immigratie is het binnenkomen van een land. Deze samen kunnen leiden tot een
vestigingsoverschot of een vertrekoverschot.
Een model om hier inzicht in te geven is het demografisch transitiemodel. Hierin wordt
aangegeven hoe landen van een hoog sterfte- en geboortecijfer naar een laag sterfte- en
geboortecijfer gaan.
6.2 Leeftijdsopbouw van de bevolking
De demografische kenmerken (leeftijd) worden weergegeven in een bevolkingsdiagram. Hierin kun
je de leeftijd van mannen en vrouwen aflezen. Hier zijn drie soorten van:
• Piramide: veel jongeren
• Granaatvorm: elke groep ongeveer even groot
• Uivorm: verouderende bevolking
De demografische druk geeft de verhouding tussen productieve en niet-productieve deel van de
bevolking weer. De productieve bevolking zijn de werkende tussen de leeftijd 20 tot 64 jaar. Om
de demografische druk te meten, deel je het aantal niet-productieve door de productieve en doet
dit keer 100%. Hoe hoger dit percentage, hoe meer mensen er werkend zijn. Hierbij spelen
vergrijzing en ontgroening een belangrijke rol.
6.3 Buitenlandse migratie
Als mensen migreren spelen daarbij altijd push and pull factoren een rol. Push factoren zijn
vertrekfactoren, pull factoren zijn vestigingsfactoren. Deze factoren zijn in te delen in drie soorten:
• Politieke factoren: vluchten vanwege veiligheid (oorlog)
• Economische factoren: op zoek naar een beter leven
• Fysische factoren: natuurlijke factoren zoals klimaat
Door de migratie kun je de bevolking opdelen in allochtonen en autochtonen. Allochtonen zijn
elders afkomstig, autochtonen hebben ouders die beiden geboren zijn in het land.
Door de vele migratie naar Nederland heeft dit geleid tot een multiculturele samenleving, er wonen
veel verschillende soorten mensen en culturen in Nederland.
6.4 Binnenlandse migratie
Ook binnen een land vinden er verhuizingen plaats. De industrialisatie was van grote invloed voor
de urbanisatie (verstedelijking). Het platteland werd steeds meer geregeld door machines en dit
was een belangrijke push factor voor mensen om naar de stad te verhuizen om daar te gaan
werken. Maar dit had ook negatieve gevolgen. Het werd er druk en de rijkere stedelingen zochten
naar een prettigere woonomgeving. Zij verhuisde naar het platteland (suburbanisatie). Vanuit deze
plaatsen was het werk alsnog goed bereikbaar.
Na de tweede wereldoorlog was er veel behoefte aan woningen. Het toepassen van systeembouw
zag je steeds meer. Er werden veel flats gebouwd. Er werd veel gebouwd, maar dit was op
, specifieke plaatsen en niet door het hele land. Om te voorkomen dat alles volgebouwd werd,
stelde de overheid het Groene Hart in, en werd er een spreidingsbeleid ingevoerd die bestond uit
drie onderdelen:
1. Er werden groeisteden aangewezen
2. Regionale subsidies ter verbetering van de infrastructuur
3. De vestiging van bedrijven in de randstand werd afgeremd
6.5 Stad en platteland
Het is tegenwoordig moeilijk om stad en platteland van elkaar te onderscheiden. Vroeger werd
hierbij gekeken naar de stadsrechten, tegenwoordig wordt er gekeken naar de
bevolkingsdichtheid, voorzieningen etc. Wanneer een stad zo ver groeit dat deze tegen een
nabijgelegen dorp komt, wordt dit een agglomeratie.
Geowijzer h7, grenzen en identiteit
7.1 Soorten grenzen
Er zijn politieke en natuurlijke grenzen.
• Natuurlijke grens: door een woestijn of oceaan etc
• Politieke grens: grenzen tussen gemeentes en is bedacht door mensen (ook wel kunstmatige
grens)
Sinds 2015 zijn er 393 gemeenten en de samenstelling hiervan kan eens in de vier jaar gekozen
worden. Hierbij kan iedere inwoner van 18+ gekozen worden als hij dat wil. De burgermeester is
voorzitter van de gekozen gemeenteraad. Hij wordt gekozen door de minister van binnenlandse
zaken.
Nederland heeft 12 provincies. Het bestuur hiervan bestaat uit provinciale staten, gedeputeerde
staten en de commissaris van de koning.
• Provinciale staten: bepalen in hoofdlijnen het beleid en controleren gedeputeerde staten
• Gedeputeerde staten: worden gekozen door de provinciale staten, zijn het dagelijks bestuur
• Commissaris van de koning: voorzitter van de provinciale staten
De rijksoverheid bestaat uit de regering en het parlement, de eerste en tweede kamer vormen het
parlement.
• Eerste kamer: gekozen door provinciale staten, beoordelen wetsvoorstellen, 75 zetels
• Tweede kamer: gekozen door burgers, na een debat benoemen zij de informateur, 150 zetels
• Informateur: onderzoekt welke partijen een nieuw kabinet kunnen vormen, opstellen van
regeerakkoord, stelt de kamer een formateur voor
• Formateur: zoekt kandidaten voor alle ministersposten, is meestal de toekomstige minister-
president
Dan zijn er nog de waterschappen. Hierbij zijn dijkgraven die de waterhuishouding in de gaten
houden van dat specifieke gebied. Het gaat daarbij om oppervlaktewater, zij houden zich dus niet
bezig met drinkwater. De grenzen van een waterschap worden bepaald door de stroomgebieden.
7.2 De Europese Unie
Na de twee wereldoorlogen zijn de landen tot de conclusie gekomen dat dit nooit meer mag
gebeuren en dus zijn ze een samenwerking gestart. Dit begon met de Europese Gemeenschap
voor Kolen en Staal (EGKS). Dit was een economisch succes, dus wilde meer landen zich
aansluiten. De Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht. Dit werd steeds
breder en niet meer enkel economisch, dus werd het de Europese Gemeenschap (EG). Maar er
werd gestreefd naar Europese eenwording, dus de naam werd opnieuw veranderd naar Europese
Unie (EU). Dit werd vastgesteld in het verdrag van Maastricht.
Als je als nieuw land de EU wilde intreden moet je aan drie criteria voldoen:
1. Het land moet stabiele instellingen hebben die de democratie en rechtsstaat garanderen
2. Het land moet een goed draaiende markteconomie hebben
3. Het land moet de verplichtingen van het lidmaatschap op zich te nemen
7.3 Bestuur in de Europese Unie
• De Europese raad: regeringsleiders van de landen, de voorzitter hiervan is Europees president,
ze nemen besluiten over het toekomstige beleid en over waar de ministers niet uitkwamen
• Raad van ministers: bestaat uit één minister uit elk land van de EU. Welke dat is is afhankelijk
van het onderwerp, nemen beslissingen over voorstellen van de Europese commissie en
Europees parlement