Hoorcollege 1 (3-2): Introductie
Wat is filosofie?
- Reflectie (over vrijwel alles – ethiek, kennis, wetenschap).
- Concepten (betekenis, aannames, implicaties).
- Niet helemaal on-empirisch maar niet verzamelen van empirische gegevens, vrijwel anders
dan alle andere wetenschappen.
Immanuel Kant (1724-1804); filosofie gaat over vier vragen:
1 Wat kan ik weten? (ervaring?)
2 Wat moet ik doen? (ethiek?)
3 Wat mag ik hopen? (religieus)
4 Wat is de mens? (Zijn wij producten van de samenleving of individuen met eigen autonome
rede?)
Wetenschapsfilosofie:
- Begin twintigste eeuw opgekomen, wetenschap werd steeds belangrijker als maatschappelijk
verschijnsel. Maatschappij werd gevormd door de technische toepassing van wetenschap.
- Radicale vernieuwingen in de natuurwetenschap (relativiteitstheorie). Belang van de
vernieuwingen -> allerlei vragen naar voren gekomen over wetenschappelijke kennis en
vooruitgang.
- Metadiscipline -> vak vraagt naar voorstellingen, aannames en structuren in andere
vakgebieden. Vanaf buiten naar wetenschapsbeoefening kijken.
- Onderzoeken van:
o Fundamentele aannames (ontologie; de leer van het zijn). Binnen geschiedenis:
hebben mensen invloed op de loop van geschiedenis?
o Methoden (epistemologie). Binnen geschiedenis: kritisch naar bronnen kijken.
Fundamentele vragen over het verwerken van kennis van de wereld.
o Praktijk. Bevragen of de praktijk van de wetenschap past bij epistemologische
ontdekkingen.
o Geschiedenis.
o Maatschappelijke functie en relevantie.
- Bepaalde spanning binnen de wetenschapsfilosofie:
o Normatief: bezig met formuleren van normen wat goede wetenschap is.
Bijvoorbeeld: wetenschap moet gebaseerd zijn op verifieerbare waarden.
o Descriptief: hoe wetenschap feitelijk werkt.
Bezig met wat wetenschap is, hoe het in de praktijk wordt beoefend en wat goede
wetenschap is. Blijvende spanning, kan niet puur normatief of descriptief handelen.
- Belangrijk onderscheid tussen natuurwetenschappen, geesteswetenschappen en sociale
wetenschappen. Wetenschapsgebieden van elkaar onderscheiden: andere methoden en
ander gebied.
- Standaard interpretatie/standaard beeld, onderscheidingen zijn eigenlijk heel negentiende-
eeuws. De vraag waar een vak thuishoort raakt aan de vraag naar de methode.
- In het Engels: science is wetenschap, ook sprake van social sciences, geesteswetenschappen
zijn humanities. In het Engels lastig om te spreken van geschiedenis als een wetenschap. In
verschillende talen verschillende aannames over wetenschapsgebieden.
o Spreken van geschiedwetenschap -> wortels in de negentiende eeuw.
- Bij spreken over wetenschap vaak verwijzen naar een standaardbeeld over wetenschap dat is
opgekomen in de wetenschappelijke revolutie. Standaardbeeld komt in dagelijks leven naar
voren.
Wat is filosofie?
- Reflectie (over vrijwel alles – ethiek, kennis, wetenschap).
- Concepten (betekenis, aannames, implicaties).
- Niet helemaal on-empirisch maar niet verzamelen van empirische gegevens, vrijwel anders
dan alle andere wetenschappen.
Immanuel Kant (1724-1804); filosofie gaat over vier vragen:
1 Wat kan ik weten? (ervaring?)
2 Wat moet ik doen? (ethiek?)
3 Wat mag ik hopen? (religieus)
4 Wat is de mens? (Zijn wij producten van de samenleving of individuen met eigen autonome
rede?)
Wetenschapsfilosofie:
- Begin twintigste eeuw opgekomen, wetenschap werd steeds belangrijker als maatschappelijk
verschijnsel. Maatschappij werd gevormd door de technische toepassing van wetenschap.
- Radicale vernieuwingen in de natuurwetenschap (relativiteitstheorie). Belang van de
vernieuwingen -> allerlei vragen naar voren gekomen over wetenschappelijke kennis en
vooruitgang.
- Metadiscipline -> vak vraagt naar voorstellingen, aannames en structuren in andere
vakgebieden. Vanaf buiten naar wetenschapsbeoefening kijken.
- Onderzoeken van:
o Fundamentele aannames (ontologie; de leer van het zijn). Binnen geschiedenis:
hebben mensen invloed op de loop van geschiedenis?
o Methoden (epistemologie). Binnen geschiedenis: kritisch naar bronnen kijken.
Fundamentele vragen over het verwerken van kennis van de wereld.
o Praktijk. Bevragen of de praktijk van de wetenschap past bij epistemologische
ontdekkingen.
o Geschiedenis.
o Maatschappelijke functie en relevantie.
- Bepaalde spanning binnen de wetenschapsfilosofie:
o Normatief: bezig met formuleren van normen wat goede wetenschap is.
Bijvoorbeeld: wetenschap moet gebaseerd zijn op verifieerbare waarden.
o Descriptief: hoe wetenschap feitelijk werkt.
Bezig met wat wetenschap is, hoe het in de praktijk wordt beoefend en wat goede
wetenschap is. Blijvende spanning, kan niet puur normatief of descriptief handelen.
- Belangrijk onderscheid tussen natuurwetenschappen, geesteswetenschappen en sociale
wetenschappen. Wetenschapsgebieden van elkaar onderscheiden: andere methoden en
ander gebied.
- Standaard interpretatie/standaard beeld, onderscheidingen zijn eigenlijk heel negentiende-
eeuws. De vraag waar een vak thuishoort raakt aan de vraag naar de methode.
- In het Engels: science is wetenschap, ook sprake van social sciences, geesteswetenschappen
zijn humanities. In het Engels lastig om te spreken van geschiedenis als een wetenschap. In
verschillende talen verschillende aannames over wetenschapsgebieden.
o Spreken van geschiedwetenschap -> wortels in de negentiende eeuw.
- Bij spreken over wetenschap vaak verwijzen naar een standaardbeeld over wetenschap dat is
opgekomen in de wetenschappelijke revolutie. Standaardbeeld komt in dagelijks leven naar
voren.