Taalweb......................................................................................................... 2
Spelling werkwoorden..................................................................................................... 2
Spelling naamwoorden................................................................................................. 10
Formuleren................................................................................................................... 22
Interpunctie.................................................................................................................. 28
Redekundig ontleden.................................................................................................... 33
Taalkundig ontleden...................................................................................................... 41
Spellingdidactiek.........................................................................................49
Spellingprincipes........................................................................................................... 49
Spellingstrategieën....................................................................................................... 52
,Taalweb
Spelling werkwoorden
Spelling van de veranderlijke werkwoorden.
Inleiding
Alleen bij de persoonsvorm pas je de regels van de werkwoordspelling toe.
1. Zin
Combinatie van woorden, in geschreven taal met hoofdletter en
punt, vraagteken of uitroepteken.
Ten minste één persoonsvorm, samengestelde zin meerdere.
2. Persoonsvorm
Altijd een werkwoord.
Vorm bepaald door: onderwerp en tijd.
Hoe vind je de persoonsvorm?
o Vraagzin maken (niet betrouwbaar i.v.m. vraagzinnen en
samengestelde zinnen).
o Veranderen van de tijd zonder woord toe te voegen of weg te
laten, veranderende woord: persoonsvorm.
o Onderwerp veranderen in aantal.
3. Stam en ik-vorm
Stam = hele werkwoord – ‘en’.
Ik-vorm: dient als uitgangspunt voor verdere vervoeging (ik-vorm +
te(n)/ de(n)).
Trema van sommige woorden verdwijnt in de ik-vorm (kopiëren –
kopieer, discussiëren – discussieer).
4. Taxikofschip
Je kijkt naar de stam! Zit de laatste letter van de stam in
‘taxikofschip’ + te(n) of de(n) achter de ik-vorm.
Alleen medeklinkers (dus a, i, o niet!).
Je kunt het gebruiken voor:
o Persoonsvorm verleden tijd (regelmatig werkwoord). (Het
geluid ebde.)
o Voltooid deelwoord. (Ik heb gejuicht.)
o Bijvoeglijk gebruikt werkwoord (het geloosde water.)
o NIET BIJ PERSOONSVORM TEGENWOORDIGE TIJD!
5. Tijd
Tegenwoordige tijd:
1e persoon enkelvoud: ik-vorm
2e en 3e persoon enkelvoud: ik-vorm + t, met uitzondering op enkele
hoogfrequente woorden, zoals: willen, mogen, zullen, kunnen
Als er al een t staat, komt er niet nog een t bij.
,Algoritmische benadering
1. Is het woord een persoonsvorm?
a. Nee korte vorm (nooit dt, bij twijfel taxikofschip), pas op bij
zelfstandige naamwoorden zoals ‘de grootte’.
b. Ja vraag 2.
2. In welke tijd staat de persoonsvorm?
a. Verleden tijd vraag 3.
b. Tegenwoordige tijd vraag 4.
Verleden tijd:
3. Is het een onregelmatige vorm (sterk, klankverandering)?
a. Ja schrijven wat je hoort, eventueel langer maken voor laatste
letter.
b. Nee Ik-vorm + te(n) of ik-vorm + de(n). Gebruik taxikofschip.
Tegenwoordige tijd:
4. Wat is het onderwerp bij deze persoonsvorm?
a. Meervoudsvorm hele werkwoord.
b. Ik-vorm ik-vorm.
c. Er is geen onderwerp (gebiedende wijs) ik-vorm
d. Het onderwerp is je/ jij, staat achter de persoonsvorm en ‘je’ kan
vervangen worden door ‘jij’ ik-vorm.
e. Anders (enkelvoud, geen gebiedende wijs, ik of je/jij achter de
persoonsvorm) ik-vorm + t.
, Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Stam en ik-vorm:
Om de klank te behouden: soms dubbele klinker in de ik-vorm
(maken-maak).
Ik-vorm eindigt nooit op v of z (leven – leef, niezen – nies).
Ik-vorm eindigt nooit op twee dezelfde medeklinkers (stoppen – stop,
zitten – zit).
Meervoudsvormen tegenwoordige tijd: infinitief.
1. Woorden met de stam op een t-klank.
Ik-vorm als uitgangspunt nemen!
o Worden: ik word, hij wordt
o Bidden: ik bid, hij bidt
2. Twee vormen waarvan de enkelvoudsvorm hetzelfde klinken.
Goed kijken naar de betekenis!
o Wijden: ik wijd, hij wijdt
o Wijten: ik wijt, hij wijt
3. Werkwoordsvormen die qua klank op een ander woord lijken.
Goed naar de betekenis van de zin kijken!
o Ik ga naar het strand.
o Het schip strandt.
4. Werkwoordsvormen met identieke vorm als voltooid deelwoord.
Is het een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?
o Mijn vriend overtuigt mij. (persoonsvorm)
o Hij is van zijn gelijk overtuigd. (voltooid deelwoord)
5. Werkwoordsvormen gevolgd door je of jij.
Onderwerp je/ jij ik-vorm + t, BEHALVE als je/ jij achter de
persoonsvorm staat en je ‘je’ kunt vervangen door ‘jij’, dan vervalt
de T: ik-vorm.
o Jij denkt dat Carla niet komt.
o Denk jij dat Carla niet komt?
6. De gebiedende wijs.
Ik-vorm.
o Loop door!