Samenvatting Gleitman h13 sociale psychologie
Sociale cognitie
Onze meeste gedachten, gevoelens en gedrag worden gevormd door de sociale wereld, zonder dat
we dat door hebben. Onze reactie naar de sociale wereld hangt af van hoe wij het gedrag van andere
interpreteren en andersom. Het proces van interpreteren en denken over de sociale wereld wordt
sociale cognitie genoemd.
Attributie
- Causal attribution: een conclusie over de oorzaak van het gedrag van iemand. (Waarom heeft hij/
zij dat gedaan?) Wanneer mensen het gedrag van anderen proberen te verklaren, gebruiken ze een
soort principe waarbij een effect (gevolg), is geattribueerd aan een bepaalde conditie (oorzaak).
Causale attributies kunnen in 2 typen worden onderscheiden:
1. Situational attribution: attributies die iemands gedrag uitleggen in termen van de omstandigheden
i.p.v. de aspecten van de persoon. Zoals verwachtingen van gedrag van anderen of zelfs het weer.
2. Dispositional attribution: attributies die iemands gedrag uitleggen in termen van interne factoren
van een persoon, zoals vriendelijkheid (eigenschappen en voorkeuren).
- Individualistic cultures: cultuur die gericht is op onafhankelijkheid en het nastreven van eigen
doelen. Deze mensen handelen naar hun eigen gedachten, gevoelens en voorkeuren en niet door de
omgeving of eisen van anderen.
- Collectivistic cultures: cultuur die gericht is op afhankelijkheid en dat de doelen, normen en
waarden op elkaar afgestemd zijn. Hier denken ze dat mensen zich gedragen door de eisen van de
omgeving en de wensen van anderen. Ze hebben nog steeds eigen dromen alleen die passen ze zo
nodig aan als de omgeving dat van hen verlangt.
- Fundamental attribution error (fundamentele attributiefout): de neiging om conclusies te trekken
uit iemands gedrag op basis van zijn kwaliteiten, terwijl de situatie wordt onderschat.
In een studie werden verschillende situaties voorgelegd aan mensen uit individualistische en
collectivistische culturen en er werd gevraagd de situaties te discussiëren. De eerste groep maakte
meer persoonlijkheid rankschikkingen en de tweede groep gaf meer situationele verklaringen. Als
voorbeeld bij een ongeluk zeiden de individualistische groep dat de man van het ongeluk erg in shock
was, terwijl de collectivistische groep zei dat de verwondingen er niet ernstig uit zagen.
Persoonlijke waarneming
Als je iemand beoordeelt baseer je dit op wat je over iemand hebt gehoord en wat je van diegene
hebt gezien maar zelf geef je ook een interpretatie van die persoon. Je kan dan een fout idee hebben
van iemand. Dit is schematische kennis. Door onze observaties en conclusies ontstaat de:
- Implicit theories of personality (impliciete persoonlijkheidstheorieën): een mening of overtuiging
over welke soorten van gedrag worden geassocieerd met bepaalde eigenschappen en welke
eigenschappen meestal samen voorkomen. Dit wordt gebruikt voor het voorspellen van andermans
gedrag , op grond van wat we over diegene horen en van diegene hebben gezien.
Door impliciete theorieën over persoonlijkheid hoeven we niet op elk detail te letten van een situatie
want we kunnen informatie die we missen invullen door te kijken naar onze schematische kennis.
Hierdoor gaat onze sociale perceptie snel en efficiënt, maar zorgen ook voor fouten:
- Stereotypes: schema’s die vaak negatief zijn en die gebruikt worden om een complex groep te
categoriseren (impliciet: bijvoorbeeld grapjes of filmpjes; expliciet: bijvoorbeeld ‘vertrouw nooit
een…’).
- Prejudice (vooroordeel): een negatieve houding tegenover de persoon, wat gebaseerd is op de
groep waarin die persoon zit.
, Vooroordelen hebben drie factoren, het ABC van vooroordelen:
- Affectief (emotioneel) zodat we een groep bijvoorbeeld zien als slecht
- Behavioral (gedragscomponent) wat zorgt voor de tendens dat we groepen discrimineren
- Cognitief component wat het stereotype zelf is.
- Out-group homogenety effect: de neiging van een lid van een groep (de ‘in-groep’) om leden van
een andere groep (de ‘uit-groep’) te zien als ‘allemaal hetzelfde’ of in elk geval minder gevarieerd
dan leden uit de eigen groep.
Implicit measures (impliciete maatregelen): vooroordelen van een persoon die binnen zijn hoofd
worden gehouden, waarvan de persoon er zelfs soms niet van bewust is.
Explicit measures (expliciete maatregelen): handelingen, waarbij vooroordelen van een persoon
naar buiten komen, door middel van dingen die hij zegt over een ander of tegen een ander
(roddelen).
Door middel van de Implicit Association Test (IAT), kan je erachter komen of wat mensen zeggen ook
echt denken. Bijvoorbeeld in een experiment werd een blank of een zwart gezicht door dezelfde
knop gekoppeld aan een goed of een slecht woord. Een wit gezicht werd makkelijker gekoppeld aan
een goed woord en zwart werd meer geassocieerd met slecht.
- Self-fulfilling prophecies: de persoon gaat zich gedragen naar de hypothese die hij zelf heeft
gesteld. Leden van een groep bevestigen stereotypen omdat mensen er in geloven. Dit is te zien bij
de stereotype threat. Neem een voorbeeld dat de scores op een test worden beïnvloed door een
groep zich te herinneren dat ze bij een bepaalde groep horen waar een stereotype over is. Zoals dat
je zwarten zich laat herinneren wat hun ras is. Deze studenten deden het minder goed omdat het
stereotype is dat zwarten “dommer” zijn. Door mensen deze stereotypes te laten herinneren,
worden ze bang omdat ze, als ze het niet goed, alleen maar het stereotype bevestigen. Deze angsten
leiden de persoon af van de test zodat ze alsnog het stereotype bevestigen.
Attitudes (houding)
- Attitude: een redelijk stabiele evaluatie van iets als goed of slecht dat er voor zorgt dat iemand
denkt, voelt of zich positief over negatief gedraagt tegenover een persoon, groep of sociale kwestie.
Waar komen onze attitudes vandaan? Sommige worden op feiten gebaseerd (objectief) of door
voor- en nadelen af te wegen, maar meestal zijn ze niet zo rationeel. Een houding wordt ook
gevormd door bepaalde vormen van leren, zoals klassieke conditioneren (associaties maken). Ook de
operante conditionering heeft hier in een rol, bijvoorbeeld gedrag dat door ouders wordt beloond.
Observationeel leren hoort hier natuurlijk ook bij.
Verandering van houding: gedwongen door anderen
- Central route to persuadion: het proces betrokken in attitude verandering waarbij iemand
zorgzaam het bewijs en de argumenten evalueert. Deze route wordt gebruikt als het onderwerp in
ons belang is en als we niet nog andere belangen hebben. Hierbij letten we echt op de waarheid van
het bericht en de sterkte van het argument.
- Peripheral route to persuasion: het process betrokken in attitude verandering wanneer iemand
steunt op de oppervlakkige factoren zoals verschijning, charisma of de persoon die het argument
presenteerd. Dit doen we als we niet veel geven om het onderwerp of als we zijn afgeleid. De inhoud
van de argumenten betekenen weinig, het gaat om de prestentatie van de argumenten.
Verandering van houding: de rol van ervaring
- Directe ervaring: veranderen van vooroordelen.
- Samenwerking: een verandering in houding op basis van doelen die hetzelfde zijn van beide
partijen. Bijvoorbeeld: in een experiment werd een groep jonge jongens opgedeeld in twee groepen
die elk hun eigen identiteit kregen en tegen elkaar moesten strijden in opdrachten. Hierna stelden de
onderzoekers doelen op waarbij de twee groepen samen moesten werken.
Sociale cognitie
Onze meeste gedachten, gevoelens en gedrag worden gevormd door de sociale wereld, zonder dat
we dat door hebben. Onze reactie naar de sociale wereld hangt af van hoe wij het gedrag van andere
interpreteren en andersom. Het proces van interpreteren en denken over de sociale wereld wordt
sociale cognitie genoemd.
Attributie
- Causal attribution: een conclusie over de oorzaak van het gedrag van iemand. (Waarom heeft hij/
zij dat gedaan?) Wanneer mensen het gedrag van anderen proberen te verklaren, gebruiken ze een
soort principe waarbij een effect (gevolg), is geattribueerd aan een bepaalde conditie (oorzaak).
Causale attributies kunnen in 2 typen worden onderscheiden:
1. Situational attribution: attributies die iemands gedrag uitleggen in termen van de omstandigheden
i.p.v. de aspecten van de persoon. Zoals verwachtingen van gedrag van anderen of zelfs het weer.
2. Dispositional attribution: attributies die iemands gedrag uitleggen in termen van interne factoren
van een persoon, zoals vriendelijkheid (eigenschappen en voorkeuren).
- Individualistic cultures: cultuur die gericht is op onafhankelijkheid en het nastreven van eigen
doelen. Deze mensen handelen naar hun eigen gedachten, gevoelens en voorkeuren en niet door de
omgeving of eisen van anderen.
- Collectivistic cultures: cultuur die gericht is op afhankelijkheid en dat de doelen, normen en
waarden op elkaar afgestemd zijn. Hier denken ze dat mensen zich gedragen door de eisen van de
omgeving en de wensen van anderen. Ze hebben nog steeds eigen dromen alleen die passen ze zo
nodig aan als de omgeving dat van hen verlangt.
- Fundamental attribution error (fundamentele attributiefout): de neiging om conclusies te trekken
uit iemands gedrag op basis van zijn kwaliteiten, terwijl de situatie wordt onderschat.
In een studie werden verschillende situaties voorgelegd aan mensen uit individualistische en
collectivistische culturen en er werd gevraagd de situaties te discussiëren. De eerste groep maakte
meer persoonlijkheid rankschikkingen en de tweede groep gaf meer situationele verklaringen. Als
voorbeeld bij een ongeluk zeiden de individualistische groep dat de man van het ongeluk erg in shock
was, terwijl de collectivistische groep zei dat de verwondingen er niet ernstig uit zagen.
Persoonlijke waarneming
Als je iemand beoordeelt baseer je dit op wat je over iemand hebt gehoord en wat je van diegene
hebt gezien maar zelf geef je ook een interpretatie van die persoon. Je kan dan een fout idee hebben
van iemand. Dit is schematische kennis. Door onze observaties en conclusies ontstaat de:
- Implicit theories of personality (impliciete persoonlijkheidstheorieën): een mening of overtuiging
over welke soorten van gedrag worden geassocieerd met bepaalde eigenschappen en welke
eigenschappen meestal samen voorkomen. Dit wordt gebruikt voor het voorspellen van andermans
gedrag , op grond van wat we over diegene horen en van diegene hebben gezien.
Door impliciete theorieën over persoonlijkheid hoeven we niet op elk detail te letten van een situatie
want we kunnen informatie die we missen invullen door te kijken naar onze schematische kennis.
Hierdoor gaat onze sociale perceptie snel en efficiënt, maar zorgen ook voor fouten:
- Stereotypes: schema’s die vaak negatief zijn en die gebruikt worden om een complex groep te
categoriseren (impliciet: bijvoorbeeld grapjes of filmpjes; expliciet: bijvoorbeeld ‘vertrouw nooit
een…’).
- Prejudice (vooroordeel): een negatieve houding tegenover de persoon, wat gebaseerd is op de
groep waarin die persoon zit.
, Vooroordelen hebben drie factoren, het ABC van vooroordelen:
- Affectief (emotioneel) zodat we een groep bijvoorbeeld zien als slecht
- Behavioral (gedragscomponent) wat zorgt voor de tendens dat we groepen discrimineren
- Cognitief component wat het stereotype zelf is.
- Out-group homogenety effect: de neiging van een lid van een groep (de ‘in-groep’) om leden van
een andere groep (de ‘uit-groep’) te zien als ‘allemaal hetzelfde’ of in elk geval minder gevarieerd
dan leden uit de eigen groep.
Implicit measures (impliciete maatregelen): vooroordelen van een persoon die binnen zijn hoofd
worden gehouden, waarvan de persoon er zelfs soms niet van bewust is.
Explicit measures (expliciete maatregelen): handelingen, waarbij vooroordelen van een persoon
naar buiten komen, door middel van dingen die hij zegt over een ander of tegen een ander
(roddelen).
Door middel van de Implicit Association Test (IAT), kan je erachter komen of wat mensen zeggen ook
echt denken. Bijvoorbeeld in een experiment werd een blank of een zwart gezicht door dezelfde
knop gekoppeld aan een goed of een slecht woord. Een wit gezicht werd makkelijker gekoppeld aan
een goed woord en zwart werd meer geassocieerd met slecht.
- Self-fulfilling prophecies: de persoon gaat zich gedragen naar de hypothese die hij zelf heeft
gesteld. Leden van een groep bevestigen stereotypen omdat mensen er in geloven. Dit is te zien bij
de stereotype threat. Neem een voorbeeld dat de scores op een test worden beïnvloed door een
groep zich te herinneren dat ze bij een bepaalde groep horen waar een stereotype over is. Zoals dat
je zwarten zich laat herinneren wat hun ras is. Deze studenten deden het minder goed omdat het
stereotype is dat zwarten “dommer” zijn. Door mensen deze stereotypes te laten herinneren,
worden ze bang omdat ze, als ze het niet goed, alleen maar het stereotype bevestigen. Deze angsten
leiden de persoon af van de test zodat ze alsnog het stereotype bevestigen.
Attitudes (houding)
- Attitude: een redelijk stabiele evaluatie van iets als goed of slecht dat er voor zorgt dat iemand
denkt, voelt of zich positief over negatief gedraagt tegenover een persoon, groep of sociale kwestie.
Waar komen onze attitudes vandaan? Sommige worden op feiten gebaseerd (objectief) of door
voor- en nadelen af te wegen, maar meestal zijn ze niet zo rationeel. Een houding wordt ook
gevormd door bepaalde vormen van leren, zoals klassieke conditioneren (associaties maken). Ook de
operante conditionering heeft hier in een rol, bijvoorbeeld gedrag dat door ouders wordt beloond.
Observationeel leren hoort hier natuurlijk ook bij.
Verandering van houding: gedwongen door anderen
- Central route to persuadion: het proces betrokken in attitude verandering waarbij iemand
zorgzaam het bewijs en de argumenten evalueert. Deze route wordt gebruikt als het onderwerp in
ons belang is en als we niet nog andere belangen hebben. Hierbij letten we echt op de waarheid van
het bericht en de sterkte van het argument.
- Peripheral route to persuasion: het process betrokken in attitude verandering wanneer iemand
steunt op de oppervlakkige factoren zoals verschijning, charisma of de persoon die het argument
presenteerd. Dit doen we als we niet veel geven om het onderwerp of als we zijn afgeleid. De inhoud
van de argumenten betekenen weinig, het gaat om de prestentatie van de argumenten.
Verandering van houding: de rol van ervaring
- Directe ervaring: veranderen van vooroordelen.
- Samenwerking: een verandering in houding op basis van doelen die hetzelfde zijn van beide
partijen. Bijvoorbeeld: in een experiment werd een groep jonge jongens opgedeeld in twee groepen
die elk hun eigen identiteit kregen en tegen elkaar moesten strijden in opdrachten. Hierna stelden de
onderzoekers doelen op waarbij de twee groepen samen moesten werken.