romp
Voor- en achtervoegsels:
• ab- = vanaf
• ad- = naartoe
• ante- = voor
• endo- = naar binnen
• epi- = bij
• exo- = naar buiten
• extra- = buiten
• intra- = binnen
• peri- = rondom
• retro- = achter
• sub- = onder
• super- = boven
Vlakken en assen
Sagittaal vlak (blauw)
Transversale as
Transversaal vlak (geel)
Longitudinale as
Frontaal vlak (rood)
Saggitale as
,Bewegingsterminologie
Sagittaal vlak en transversale/frontale as (as: links – rechts)
• anteflexie / retroflexie (heup)
• flexie / (hyper)extensie (knie)
• plantairflexie / dorsaalflexie (enkel)
Frontaal vlak en sagittale as (as: horizontaal voor - achter)
• abductie / adductie (heup)
Transversaal vlak en longitudinale as (as: verticaal)
• endorotatie / exorotatie (heup, knie)
Wervels
• Alle wervels bestaan uit dezelfde onderdelen
• Verschillen in vorm en functie
• Alleen atlas en axis zijn helemaal anders = C1 + C2
Sagittale vlak
Krommingen:
cervicaal lordose
thoracaal kyfose
lumbaal lordose
sacraal kyfose
Kromming in frontale vlak = scoliose
Wervels (vertebrae) en nummering
Vertebrae cervicalis: 7
atlas C1
axis C2
vertebra prominens
C7
Vertebrae thoracicae: 12
Vertebrae lumbales: 5
Vertebrae sacrales: 5
- os sacrum
Vertebrae coccygeae: 4/5
- os coccyges
(Vertebrae sacrales en coccygeae zijn
vergroeid)
Verschillen in vorm & functie per regio
Corpus - klein naar groot
- vorm ‘rechthoek’ –
‘driehoek’ – ‘boon’
Foramen - groot naar klein
,Processus spinosus
Cervicaal
- Gespleten
- Recht naar achter gericht
Thoracaal
- Naar dorso-caudaal gericht
- “Dakpannen”
Lumbaal
- Recht naar achter gericht
- Hoog en breed
Beweging in de romp
Afhankelijk van:
• Vorm van wervels
• Hoogte van discus intervertebralis t.o.v. corpus
hoe groter de discus tov de corpus, hoe groter de mobiliteit
• Aanwezigheid van ribben
(=beperking)
Discus intervertebralis
Annulus fibrosus vezelige kraakbeen ringen (ui)
Nucleus pulposus waterhoudende gelei-achtige kern, Dikte neemt naar caudaal toe
(Kraakbeen, niet doorbloed)
Functie vezelring:
• gaat in tegen spanningskrachten van wervelkolom
• opvangen bij compressie, torsie, flexie en extensie wervelkolom.
Functie gelei-kern: drukverdeling, schokbreker
,Grote ligamenten wervelkolom
Lopen van hoofd (os occipitale) naar os sacrum
• Lig. longitudinale anterius, ventraal t.o.v.
corpora
• Lig. longitudinale posterius, dorsaal t.o.v.
corpora
• Lig. supraspinale, dorsaal t.o.v. processus
spinosi
Kleine ligamenten wervelkolom
• Ligg. interspinalia
• Ligg. intertransversaria
Ligamenten bekken-wervelkolom
Bewegingen en remmingen
,Verbinding met schedel
• C1 = Atlas (drager)
• C2 = Axis (draaipunt)
Afwijkende bouw grote beweeglijkheid
Bewegingsmogelijkheden:
• Flexie/(hyper)extensie
• rotatie
Verbinding met sternum en costae
• Costae = ribben
• Sternum = borstbeen
7 costae verae, directe verbinding sternum
3 costae spuriae, via ribkraakbeen
2 costae fluctuantes, zwevend
Bewegingen in art. costovertebralis en art. sternocostalis (o.a. voor ademhaling)
Verbinding met bekken
• Bekkengordel
(ossa coxa + os sacrum)
• Art. sacro-iliacae (SI-gewricht)
nagenoeg onbeweeglijk
voorover en achterover kantelen
Beweging geremd door:
- Band apparaat
- Groeven in gewrichtsvlak
- Spieren
(o.a. m. transversus abdominis, bekkenbodem spieren,
m obliquus abdominis intemus en -extemus, m. latissimus dorsi en m. erector trunci)
, De student kan in eigen woorden omschrijven…
• welk deel van het bewegingsapparaat de romp bevat;
• wat het verschil is tussen het actief en passief bewegingsapparaat van de romp;
• wat de functie van de romp is;
• welke bewegingsmogelijkheden de romp heeft;
• de morfologische verschillen (morfologie = vormkunde) tussen de wervels op
cervicaal,
• lumbaal en thoracaal beschrijven en van daaruit functionele verschillen verklaren;
• omschrijven hoe de wervelkolom met de rest van het lichaam verbonden is;
• de vorm van de wervelkolom beschrijven;
• omschrijven wat een scoliose, lordose en kyfose is.
• welke 4 verschillende bekkenbanden er zijn en wat hun functie is
• welke spiertypen er zijn en hoe de externe en interne krachten zich tot elkaar
verhouden
Doelen
• werkwijze binnen het thema ‘Anatomie B’;
• inhoud van thema’s ‘Anatomie B’;
• plaats van het thema ‘Anatomie B’ in de studie;
• wijze van toetsen binnen het thema ‘Anatomie B’;
• De student kan de relevante botten, gewrichten en ligamenten van de romp herkennen en
• benoemen met de anatomische nomenclatuur.
• SI-gewricht