Wat is sociale psychologie?
Het doel van psychologie is om een individu te begrijpen, precies kunnen voorspellen wat iemand op
elk moment zou kunnen doen. De mens is zeer complex dus erg moeilijk om te bestuderen. Dus op
zoek naar patronen van mensen in bepaalde situaties. Sociale psychologie richt zich daarnaast op de
groep; mens is sociaal wezen die je terug kan vinden in een groep (mensen om je heen hebben
invloed op wat je voelt en wat je doet groepsdynamieken). Daarnaast kijkt sociale psychologie ook
naar de situatie waarin de individu (en de groep) zich bevind. Descriptieve normen: wat doen mensen/
wat doen andere mensen om je gedrag aan te passen. Inductieve normen: regels over hoe je denkt
dat je je moet gedragen.
Dispositionele termen; hij is een ‘’crimineel’’, daarin gaat het meer om de persoon in plaats van de
situatie. Bij sociale psychologie maak je niet die assumptie. Kan de situatie dit gedrag uitlokken? (met
andere woorden; ligt dit niet aan de persoon, maar de situatie?)
Vergelijkingen in de sociale psychologie:
- Binnen een persoon (individu)
- Tussen personen
- Binnen groepen
- Tussen groepen (culturen/landen)
Cognitie (kennis), affect (gevoel/emotie/fysiologie) en gedrag worden in de sociale psychologie
bestudeerd. Alle drie kunnen een causale relatie met elkaar hebben.
Sociale psychologie bestudeert de manier waarop de gevoelens van mensen beïnvloed worden door
de impliciete dan wel expliciete aanwezigheid van andere mensen. Echter; niet alle studies hebben te
maken met andere mensen, hoofddoel is mensen begrijpen en gedrag voorspellen (‘normale
mensen’).
In de sociale psychologie worden 4 perspectieven meegenomen:
- Evolutionair perspectief gedreven door seks en het hebben van kinderen/sekseverschillen.
- Sociaal-cultureel perspectief verschillen tussen groepen mensen/culturen
- Sociaal-leren perspectief meer bij individu, wat is goed/fout? (opvoeding)
- Sociaal-cognitief perspectief met betrekking tot kennis
Basisprincipes:
- Sociaal gedrag is doelgericht
o Wat drijft ons?
Doelen zijn hiërarchisch (vandaag/semester/carrière/leven), zie pp.
Men heeft fundamentele motivaties:
- Erbij horen - Beschermen dierbaren
- Jezelf en andere begrijpen - Status
- Vinden en behouden partner - Kind krijgen
(nieuwe theorie, zie powerpoint)
Sturen gedrag (zelfregulatie)
Baumeister (1998) heeft onderzoek gedaan naar wilskracht, radijsje of koekje eten en daarna
onoplosbare puzzel proberen op te lossen. Baumeister beweert dat zelfregulatie uitputbaar is, dus
meer gebruik daarvan gemaakt, minder goed in puzzel bij radijs (wilskracht/zelfregulatie). Echter bleek
later het effect niet meer zichtbaar te zijn.
Soms falen we
Macrae (1994) laat mensen nadenken over de vraag; wat doet een skinhead. Andere helft denk niet
aan stereotypes geassocieerd met skinheads. Daarna in wachtruimte keuze waar zitten bij skinhead.
- Sociaal gedrag is een voortdurende interactie tussen persoon en situatie.
,De persoon bestaat eigenlijk uit kennis (Geloofsovertuiging, verklaringen en geheugen) en daarnaast
gevoelens (attitudes, humeur, fysiologie en emoties). Beide hebben invloed op de interpretatie van de
situatie, daarnaast spelen de volgende onderwerpen een rol:
- Self concept: kennis over onszelf
- Self-esteem: eigenwaarde
o Sterk gemotiveerd om deze hoog te houden
o Motiveert hoe we situaties interpreteren en welke situaties we kiezen
- Meerdere zelven: actuele zelf, ideale zelf, collectieve zelf
o Afhankelijk van de situatie (bij je ouders anders dan bij je vrienden)
De situatie. Mensen onderschatten vaak de invloed van de situatie op het gedrag van anderen en
soms ook op hun eigen gedrag (Dispositionele verklaringen). BV Milgram (1963) leraar moest student
bestraffen bij een fout antwoord (schok) gehoorzaamheid. Kreeg instructie om steeds door te gaan,
65% gaat door tot hele hoge schok.
Daarnaast onderzoek over Darley & Latané over het bystander effect = het idee dat men in een
noodsituatie minder geneigd is om te helpen wanneer er meer mensen zich in diezelfde situatie
bevinden. Diffusion of resonsibility = meerdere mensen krijgen de schuld dus gevoel is minder
(gedeelde/verdeelde verantwoordelijkheidsgevoel) en pluralistich ignorance = onwetendheid dankzij
het feit dat andere mensen ook laten blijken dat zij niets weten, je gedrag vormen aan de hand van het
gedrag van andere mensen.
Daarnaast de correspondence bias (fundamentele attributiefout); onderschatting van de rol van de
situatie. Acteur wordt gezien zoals hij is toen hij in film speelde, dan hoe hij in real life is.
Persoonsituatie interactie:
- Niet iedereen reageert hetzelfde in dezelfde situatie
- Mensen kiezen situaties (en omgekeerd)
- Mensen veranderen de situatie (en omgekeerd)
- Verschillende situaties activeren verschillende aspecten van het zelf
- Elke situatie heeft verschillende facetten, wel sociaal motief actief is, is afhankelijk van wel
aspect de aandacht krijgt.
Hindsight bias OJ simpson trial
Onderzoek en theorie
Valt het meeste bij methodologie. Bepalen of: een uitspraak waar of niet waar is, onder welke
omstandigheden en waarom. Kijken naar de voor- en nadelen van de studie.
Correlationeel vs. experiment
Verschillen in:
- Efficiëntie
- Oorzaak en gevolg
- Controle
, Hoorcollege 2 Social psychology 01-11-2017
Hindsight bias law wanneer je iets weet, interpreteer je het alsof je het altijd al zo vond. Zowel door
middel van motivatie als cognitieve informatie. Op basis van kennis je eerdere overtuigingen
aanpassen. Ook bijvoorbeeld bij het interpreteren van je onderzoeksresultaten.
Bij experimenteel onderzoek kan je meer zeggen over oorzaak-gevolg dan bij correlatieonderzoek,
daarbij toon je alleen een relatie tussen beide aan.
Counterfactual denken = oh je kon beter & emotie
Wat je hebt gehaald emotie wat je zou kunnen halen
Zilver balen goud
Interne validiteit : in hoeverre A samenhangt met B, inhoudelijk goed onderzoek
Externe validiteit: in hoeverre de resultaten generaliseerbaar zijn
Sociale psychologie richt zich met name op groepsdynamica, sociale cognitie en evolutionaire psyche.
Hoofdstuk 3 Sociale cognitie
Proberen uit te vogelen wat de intentie/gedrag van anderen is gebaseerd op de situatie is een
onderdeel van sociale cognitie. Hoe je over jezelf en anderen denkt (voorbeeld fiets). Men is geneigd
om snel mensen in te delen en te beoordelen, je eerste indruk. Sociale informatie verzamelen,
integreren met andere informatie en een beoordeling maken. Dit wordt ook wel mental knowledge
netwerk genoemd (zowel sociaal als niet sociaal):
- Exemplaar (Een vertegenwoordiger van een bepaalde groep; martin luther king als exemplaar
van grote leiders)
- Schema: mentale representatie van algemene kenmerken van een categorie of episode, dat
gebeurtenissen of mensen omvat.
- Script: een schema dat de volgorde van episodes, gebeurtenissen en situaties volgt. Een
schema voor het naar de dokter gaan, je weet hoe het werkt omdat je het vaker hebt gedaan.
- Self-concept ; ideale zelf, meerdere zelven of hoe je denkt dat je je moet gedragen. BV:
anders bij je familie dan bij je vrienden.
4 basis processen, verschillende manieren van het integreren van informatie:
1. Aandacht = proces van constante focus op kenmerken uit de omgeving of iemand in de
omgeving. Aandacht is limitief, verschillende mensen focussen zich op andere kenmerken van
dezelfde situatie. ‘’Het selecteren van informatie’’
2. Interpretatie = het proces waarbij je betekenis geeft aan de events die je ervaart. Vele sociale
situaties kunnen op meerdere manieren worden geïnterpreteerd (consensual vs assault).
3. Beoordeling (judgement) = het proces van het gebruiken van informatie en om impressies en
keuzes te maken. Omdat je vaak maar limitieve informatie hebt, zijn de meeste sociale
beoordelingen ‘’beste gok’’
4. Geheugen = het opslaan en ophalen van informatie om te gebruiken in de toekomst.
Geheugen heeft invloed op onze beslissingen, bepalen waar we onze aandacht op richten en
hoe we de situatie interpreteren.
Je bent je niet altijd bewust vn de bovenstaande stappen.
3 doelen die een rol spelen in sociale cognitie:
1. Effectiviteit (goede interpretatie/beoordeling maken met zo weinig mogelijk informatie)
2. Beschermen zelfbeeld (goed voelen over jezelf en de groep waarin je behoort)
Bovenstaande kunnen leiden tot verkeerde interpretaties/beoordelingen van de situatie. Wordt
verminderd door het onderstaande doel
3. Nauwkeurig zijn (je wilt graag nauwkeurig zijn tijdens het inschatten van situaties/personen).
, 1. Effectiviteit:
Complexe informatie vanuit de sociale omgeving + de limitieve aandachtsboog van de mens beide
leiden naar de goal van effectiviteit (mental effeciency). Hierbij worden verschillende strategieën
gebruikt:
- Verwachtingsbevestiging strategie (meer aandacht wordt besteed aan gedrag dat in
overeenkomst is met de verwachting) correspondent bias (het is makkelijk om gedrag van
anderen te zien als samenhangend met hun dispositie(factoren binnen een persoon)) = een
fundamentele attributiefout.
- Actor-observer verschil = de neiging van individuen om hun eigen gedrag te beoordelen alsof
deze veroorzaakt is bij situationele factoren, terwijl ze het gedrag van de ander toeschrijven
aan zijn of haar persoonlijkheid. (fiets vrouw is gemeen).
- Heuristieke en assessing chances
o Representatieve heuristiek: komt het overeen met wat je weet? (filosofie martin), base
rate fallacy = negeren van de statische kenmerken, er zijn namelijk meer psychologie
studenten dus kans dat hij psychologie doet is veel groter.
o Beschikbaarheidsheuristiek: hoe toegankelijk is het in je geheugen? De
waarschijnlijkheid van een event bepalen aan de hand van hoe makkelijk je het kan
oproepen uit je geheugen.
o Anchoring an adjustment heuristic = heel groot effect, mensen beoordelen situaties
aan de hand van eerste beoordeling en passen vervolgens hun beoordeling aan
nadat ze zijn blootgesteld aan een andere factor (bv rad en schatting mensen afrika).
Er is een bepaalde anker en daar passen mensen zich op aan (BV verkoopprijs huis).
2. Zelfbescherming
Behoefte om zelf als effeciënt te zien + behoefte om zelf te zien als iemand met relaties van hoge
kwaliteit goal: managen zelfbeeld. Hierbij worden ook weer verschillende strategieën gebruikt:
- Sociale vergelijking = vergelijken met anderen om je heen (hoger cijfer)
- Overdrijven kwaliteiten, verminderen valkuilen.
- Illusie van controle
- Self-serving attributies = mensen maken verschillende attributies in verschillende situaties, de
neiging om positieve gebeurtenissen aan jezelf toe te schrijven (‘ik ben slim’) = interne
attributie en om negatieve gebeurtenissen aan anderen toe te schrijven (‘de leraar is slecht’) =
externe attributie