Vroeger ging men ervan uit dat de mens kant en klaar was gemaakt door god, het lichaam was de
zetel van een onsterfelijke ziel en psychotische mensen waren bezeten door demonen. Vervolgens
kwam de wetenschap en toen was de mens een soort aap, gemaakt door evolutie en waren
psychotische mensen slachtoffer van een stoornis in de hersenen.
Wat is nu wetenschap en hoe weet je wat je weet? Potentiële bronnen van kennis zijn:
1. Intuïtie speelt een belangrijke rol bij het verwerven van kennis en kan het begin zijn van
een wetenschappelijke ontdekking, maar niet concrete kennisbron
2. Persoonlijke ervaring
a. Is belangrijk bij het genereren van nieuwe ideeën
b. Maar ook ervaring is geen legitieme evidentie wegens 3 belangrijke redenen:
i. Sampling bias = waarnemingen zijn niet representatief voor populatie
ii. Observer bias= waarnemingen worden beïnvloed door verwachting
iii. Confounding = treedt op wanneer de factor waarin je geïnteresseerd bent
systematisch samenhangt met andere factoren die ook een effect kunnen
hebben.
3. Common sense iedereen weet dat: massa’s mensen kunnen volstrekt verkeerde ideeën
hebben over de wereld BV: de aarde staat stil.
4. Autoriteit = de aanname dat mensen met autoriteit eerder gelijk hebben dan ‘’normale’’
mensen.
De eerder genoemde confounds/biases zijn vormen van validiteitbedreigingen (of ook wel) alternatieve
verklaringen voor de hypothese die geformuleerd is. Validiteit gaat over of je meet wat je wilt meten.
5. De wetenschappelijke methode: in de wetenschap ligt de autoriteit niet bij een persoon, maar
bij de feiten, daarom kan een wetenschapper nooit zijn autoriteit aanvoeren als evidentie voor
een theorie, maar zal je moeten zoeken verwijzen naar feiten, gegevens en
onderzoeksmethoden
Wetenschap werkt zo goed omdat het een open methodologisch karakter heeft, verbinding van
evidentie & conclusie = openbaar én andere onderzoekers kunnen conclusies betwisten en het
overdoen, Hierdoor is wetenschap zelf-corrigerend. Hiervoor gebruik je de empirische cyclus:
Observatie theorievorming voorspelling toetsing en evaluatie.
Morling’s theorie-data cyclus = theorie onderzoeksvragen onderzoeksdesign hypothesen
data (ondersteunend of niet ondersteunend).
Onweerlegbare theorieën. Sommige theorieën onttrekken zich aan toetsing (bv religieuze theorieën).
Dit heeft te maken met falsificeerbaarheid: als de zin: ‘’als theorie x niet waar zou zijn dan,’’ niet kan
worden afgemaakt dan is de theorie onweerlegbaar en dus wetenschappelijk gezien waardeloos.
Correctiemechanismen; wetenschap is anarchistisch en kent geen baas die beslist wanneer iets goed
of waar is. Er zijn eigenlijk maar 2 soorten correctiemechanismen:
- Tijdens het publicatieproces = peer review
o Is de enige barriere tussen jou en een publicatie in een tijdschrift
o Reviewers worden door de editor uitgekozen, en zijn letterlijk gelijken (peers)
- Na het publicatieproces = replicatie onderzoek
o Onderzoekers vertrouwen vrijwel nooit op één enkel onderzoek
o Resultaten moeten gerepliceerd worden door: verschillende onderzoekers,
verschillende plekken en met verschillende methoden
o Pas als er een aanzienlijke stroom onderzoeken is die een resultaat bevestigen krijgt
het de status van een feit.
, HC Methodenleer (Research Psychology) 05-09-2017
HC 2: Operationaliseren
Empirische cyclus : Observatie theorievorming voorspelling Toetsing Evaluatie
Theorie is een stelsel van algemene principes dat pretendeert ons te vertellen ‘’hoe de wereld denkt’’.
Het containerprincipe = als je je emoties niet uit, komen ze op een andere manier toch wel uit. Het is
in principe algemeen, want er wordt niet gespecificeerd bij wie, wanneer, hoe en op welke plaats dit
gebeurt. Containerbegrip = groot onduidelijk algemeen begrip.
Een theorie is niet direct toetsbaar omdat deze algemeen is, en onderzoek altijd een concrete situatie
betreft. Toetsen moet via de uit de theorie afgeleide hypotheses (een specifiekere situatiebeschrijving/
voorspelling). Een voorspelling is zeer concreet; er wordt precies gespecificeerd wat er wanneer en bij
wie zal gebeuren. Het is direct observeerbaar. Theorie (algemeen) hypothese (redelijk specifiek)
voorspelling (zeer specifiek).
Van theoretische begrippen een relatie aanduiden door middel van aan empirische observeerbare
relatie. DUS: gedrag/situatie MOET observeerbaar zijn.
Voorspelling Toetsing Evaluatie
Belangrijke problemen:
Wat als er geen voorspellingen uit een theorie kunnen worden afgeleid? (Falsificeerbaarheid). Testen
met de zin; Als theorie x niet waar zou zijn, dan…’’ Als je de zin niet af kan maken is de theorie
onweerlegbaar dus wetenschappelijk waardeloos. Als iets falsificeerbaar is, is het dus
wetenschappelijk.
Wat zeggen we als de voorspelling uitkomt? Je kan dan niet zeggen dat de theorie is bewezen, echter
wel beschrijven dat de theorie niet weerlegt is. Het is vrijwel onmogelijk om een theorie te bewijzen
omdat je 1. Nooit alternatieve verklaringen kan uitsluiten 2. Slecht één concrete voorspelling nagaat,
en 3. Een theorie er eigenlijk oneindig veel doet. Om bepaalde theorieën te testen heb je altijd een
controle groep nodig om verschil te testen.
Wat zeggen we als de voorspelling niet uitkomt? Je kan dan niet zeggen dat de theorie weerlegt is, je
kan wel zeggen dat er een probleem is voor je theorie. Het is vrijwel onmogelijk om een theorie met 1
onderzoek te weerleggen omdat 1. Er altijd iets fout gegaan kan zijn. Soms kan het zo zijn dat
wetenschappers hier te lang mee doorgaan en achteraf alternatieve redenen bedenken waarom hun
theorie niet wellicht niet is zoals voorspelt. Hoe veel alternatieve verklaringen kan je ergens opplakken
voordat men denkt, nee deze theorie werkt niet. Wanneer de theorie niet bewezen kan worden, er
geen fouten zitten in je onderzoek en toch de voorspelling niet uitkomt, kan je spreken van een
anomalie: onbegrepen inconsistentie theorie vs. data. Als er een nieuwe theorie komt die de anomalie
wel kan verklaren dan is de theorie verslagen (NIET weerlegd).
SAMENVATTEND;
- Het is belangrijk dat wetenschappelijke theorieën getoetst kunnen worden (falsificeerbaarheid)
- Daarvoor moeten de uit die theorie concrete voorspellingen worden afgeleid
o Als een voorspelling uitkomt is de theorie daarmee niet bewezen
o Als een voorspelling niet uitkomt is de theorie niet zomaar weerlegd (mar er is wel een
probleem Opkomst en ondergang van theorieën is vaak een proces van jarenlang
onderzoek.
Voorspelling Toetsing Evaluatie
Hoe kan je beoordelen of je voorspelling wel of niet uitkomt? De nee-nee tabel is vaak belangrijk voor
de uitkomst van je voorspelling. DUS: je hebt alle vier de cellen nodig om iets te kunnen zeggen over
het verband tussen voorspelling en toetsing. Het focussen op de ja-ja cel wordt ook wel de present-
presentbias genoemd. Als je een voorspelling over samenhang wil toetsen, let er dan op dat je de
gegevens hebt van alle vier de combinaties van de tabel (alle 4 de cellen).
, Variabelen
Om voorspellingen te toetsen hebben we variabelen nodig (verschillende waardes). Zie PP. Een
variabele is een eigenschap die in de populatie varieert. Dat betekent dat verschillende mensen
verschillende waarden op die variabele hebben (bijvoorbeeld haarkleur = variërende eigenschap). Hoe
mensen verdeeld zijn over die waarden levert een bepaalde verdeling van variabelen op.
Structuur van variabele: Categorisch / kwalitatief (BV: sekse, studie, woonsituatie) EN continu /
kwantitatief (BV: dominantie, extraversie en IQ). Bij een continue variabele kan je ordenen omdat
psychologische begrippen als een lijn woorden beschouwd. Variabelen zijn niet per definitie continu of
categorisch, het ligt eraan hoe je de variabelen indeelt.
De normale verdeling: het gemiddelde. Het gemiddelde bepaalt de locatie van de verdeling. De
variantie bepaalt de spreiding van de verdeling (Spreiding). Bij een grote variantie is er dus veel
verschillen in BV IQ, bij kleine variantie is de groep redelijk homogeen.
Samenvattend:
- Categorische variabelen: kwalitatief (verdeling percentage)
- Continue variabelen: kwantitatief (verdeling normale verdeling)
o Gemiddelde: de locatie van de verdeling
o Variantie: de spreiding van de verdeling
Hoe kom je aan een variabele? (bijvoorbeeld een onzichtbare variabele als IQ van iemand). Om
onderzoek te doen moet je variabelen ‘’maken’’:
1. Kies een structuur (categorisch/continu). BV lengte meten in cm of meter
2. Bedenk een manier om waarden toe te kennen. BV je bent 167cm. (BV vragenlijst
construeren bij een onzichtbaar psychologisch begrip).
3. Breng de verdeling in kaart.
4. Een theoretisch construct moet je operationaliseren. Opknippen in kleine stukken en
betekenis geven aan deze afzonderlijke begrippen. Maar operationaliseren is erg moeilijk,
vragenlijst is niet voldoende.
Diagnostiek = vaststellen aan welke stoornis iemand lijdt, tegenwoordig wordt dit vooral gedaan
a.d.h.v. standaardcategorieën van symptomen zoals bepaald door een commissie van experts. Deze
manier van kijken lijkt erg op geneeskunde. Zie PowerPoint breintumor.