Europees recht en slachtoferrechtenn
betekenis voor Nederland
Literatuur
S. Greer, J. Gerards & R. Slowe, ‘The Case Law of the European Court
of Human Rights’, in: S. Greer, J. Gerards & R. Slowe, Human Rights
in the Council of Europe and the European Union: Achievements,
Trends and Challenges, Cambridge: Cambridge University Press
2018, p. 137-148 (pdf)
E. Gijselaar, ‘Positieve verplichtingen om feitelijke maatregelen te
nemen: voldoet het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht?’, NTM
2016, p. 174-187, via Kluwer Navigator
P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Communautaire doorwerking van
straf(proces)recht’, in: M.J. Borgers e.a. (red.), Implementatie van
kaderbesluiten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006, p. 73-82
(pdf)
Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25
oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten,
de ondersteuning en de bescherming van slachtofers van strafbare
feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, Pb EU
2012, L 315/17, via EUR-Lex
A.J.J.G. Schijns, ‘Slachtoferrechten en in de praktijk’, Verkeersrecht
2017, p. 258-263, via Kluwer Navigator
Jurisprudentie
EHRM 30 november 2005, Appl.no. 48939/99 (Oneryildii v. Turkey),
via https://hudoc.echr.coe.int/eng, met uitiondering van paragrafen
119-138, 158-160
EHRM 13 november 2012, Appl.no. 4239/08 (C.N. v. United
Kingdom), via https://hudoc.echr.coe.int/eng
HvJ EU 24 januari 2012, iaak C-282/10 (Dominguei), via
https://curia.europa.eu/
Leeswijzer
De verhouding tussen strafrecht en privaatrecht waar het de bescherming
van slachtofers van strafbare feiten betreft wordt niet alleen bepaald door
het nationale recht. De Nederlandse rechtsorde staat hier onder invloed
van het Europese recht. Tot dat Europese recht rekenen wij in het verband
van de cursus eneriijds het Europees Verdrag tot bescherming van de
Rechten van de Mens (EVRM) en de uitleg van dat verdrag door het
Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) in diens rechtspraak,
, en anderiijds het recht van de Europese Unie en de rechtspraak van het
Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).
Het EVRM strekt tot bescherming van de mensenrechten die in dat
verdrag iijn neergelegd. Daarbij heeft het EHRM twee soorten
verplichtingen voor de lidstaten erkend: de negatieve verplichting
bestaande uit de plicht om als lidstaat geen inbreuk te maken op
mensenrechten, en de positieve verplichting bestaande uit de plicht om
als lidstaat actief op te treden om mensenrechten te waarborgen. In deie
cursus staan de positieve verplichtingen die strekken tot bescherming van
slachtofers van strafbare feiten centraal. In dat verband heeft het EHRM
in diens rechtspraak onder meer bepaald dat bij gedrag van burgers of
overheden dat inbreuk maakt op een mensenrecht als bedoeld in de
artikelen 2-4 en 8 EVRM lidstaten iijn verplicht om strafrechtelijk op te
treden en om schadevergoeding mogelijk te maken (iie Oneryildii v.
Turkey en C.N. v. United Kingdom). Dat laatste kan ook door het inietten
van het privaatrecht. De hoofdlijnen van deie rechtspraak worden
besproken (iie ook Greer e.a. 2018 en Gijselaar 2016). Buiten
beschouwing iullen blijven de positieve verplichtingen iniake slachtofers
van strafbare feiten die iien op procedurele maatregelen die door de
lidstaten moeten worden getrofen; de focus van deie cursus ligt immers
bij het materiele recht (iie week 1). Eveneens blijven de negatieve
verplichtingen buiten beschouwing, nu
Sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft de
Europese Unie de nadrukkelijke bevoegdheid om voorschriften vast te
stellen iniake rechten van slachtofers van misdrijven (iie art. 82 lid 2 sub
c VWEU). Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door de Richtlijn
slachtoferrechten aan te nemen. Deie richtlijn kent slachtofers van
strafbare feiten verschillende soorten rechten toe. Deie rechten iien op
informatievooriiening, bejegening, ondersteuning, betrokkenheid bij en
inspraak in de strafprocedure, schadevergoeding en bescherming.
Opvallend is dat de richtlijn aanstuurt op de mogelijkheid om
schadevergoeding te verkrijgen in de strafprocedure, maar de lidstaten
wel ruimte biedt om dit in een andere gerechtelijke procedure te
realiseren (art. 16 lid 1 Richtlijn slachtoferrechten). Daarmee schept de
richtlijn verplichtingen voor vooral het strafrecht, maar ook voor het
privaatrecht (iie Schijns 2017).
Bij dit alles komt een uiterst relevant aspect, namelijk dat de doorwerking
van het Uniestrafrecht in de nationale rechtsorde juridisch geiien
aanmerkelijk steviger is dan de invloed die de rechtspraak van het EHRM
heeft op de nationale strafrechtspleging. Een richtlijn van de Europese
Unie moet door de lidstaten worden geimplementeerd. Dat houdt in dat
richtlijnbepalingen iijn omgeiet in nationale wettelijke voorschriften en
beleid, waarbij die voorschriften en beleid in de uitvoeringspraktijk
daadwerkelijk worden toegepast en uitgevoerd. Wanneer dat niet op juiste
wijie geschiedt, komen in de rechtspraktijk twee, in de rechtspraak van
het HvJ EU ontwikkelde instrumenten in beeld. Dat betreft de plicht tot
richtlijnconforme interpretatie en de directe werking van een