Zwemmen
12-25
91
93-100
103-106
110-119
136-138
143-144
159-162
Blz 13-25
Massa van wat er is de massa per hoeveelheid volume.
Soortgelijke massa = massa (in kilos’s)/ Volume (Aantal liters).
Water weegt ongeveer een kilo per liter. De soortgelijke massa van een mens kan actief worden
beïnvloed door het volume te vergroten de massa nagenoeg gelijk te laten. Dit gebeurd door in te
ademen. Door inademing zetten de longen uit en stijgt het volume zodat dat de massa noem waardig
is.
Opwaartse kracht is net als de zwaartekracht gelijk aan de aangrijpingspunt. Het aangrijpingspunt van
de opwaartse kracht heet opdrukpunt.
Vrouwen die bredere heupen hebben, hebben ook een groter volume bij de benen. De invloed van
zwaartekracht in het water wordt door opwaartse drukkracht tegengewerkt.
Bij het zwemmen zijn verschillende soorten weerstand
- Vormweerstand; de druk en wervelweerstand en de frontale weerstand.
- Golfweerstand; golfvorming ontstaat door voortbewegign.
- Druk- of wervelweerstand; Door beweging van het lichaam tijdens het zwemmen zijn de
watermoleculen ongestructureerd. De druk van water neemt toe.
- Frontale weerstand; hoe groter het oppervlakte van het frontaal vlak hoe groter de frontale
weerstand.
- Wrijvingsweerstand; Weerstand ontstaat door iets wat niet glad genoeg is. Denk aan een
wijde zwembroek of beharing. Maar het schreven van hoofd, brost en been haar heft geen invloed
omdat er geen weerstandvermindering op treedt.
- Passieve weerstand:
De relatie tussen de lichaamsvorm en de passieve weerstand toeneemt met stijgend snelheid.
De waterweerstand het kleinste is in buiklig. Iets groter dan bij 45 graden.
Doordat het lichaam constant in beweging is, is er nauwelijks sprake van passieve weerstand.
Passieve weerstand vindt plaats tijdens startsprong en na de afstoot.
- Actieve weerstand; actieve voorstuwing door het lichaam zelf.
Voortbeweging wordt ook wel netto-propulsie. Betere stuwing ontstaat door te werken aan je
conditie en techniek.
Stuwvlakken
,Waterweerstand wordt benut door stuwvlakken. Tijdens armbewegingen zijn handen en onderarmen
stuwvlakken. Bij de beenbeweging zijn dit de voeten en onderbenen. Hoe groter de stuwvlakken hoe
groter de voortstuwing.
Stuwingprincipes
Het voortbewegen. Inzicht is heel erg belangrijk voor het stuwingproces, de volgende
stuwingprocessen komen bij zwemmen voor:
- Actie-reactie principe
Derde wet van newton, na elke actie ontstaat er een reactie die gelijk, maar tegengesteld is aan de
weerstand die het stuwvlak ondervindt.
Kernmerken:
- Stuwvlak heeft een vlakke vorm, staat loodrecht op de bewegingsbaan en beweegt
achterwaarts.
- De grootste voortstuwingkracht= weerstandskracht
- De beweging van het stuwvlak wordt in tegengestelde richting van de voortbeweging
uitgevoerd.
Bij een roeispaan wordt het water loodrecht naar achter gebracht (actie) met als reactie een
voorwaartse beweging.
Bij schoepenrad komen de beweegbare snel achter elkaar en onder een kleine invalshoek in het
water.
- Draagvleugel- of schroefprincipe
Kenmerken:
- Het stuwvlak met gekromde vorm staat schuin op de bewegingsbaan en beweegt zijwaarts.
- De weerstandkracht si altijd tegengesteld gericht aan de bewegingsrichting van het stuwvlak.
- De liftkracht staat steeds loodrecht op de weerstandskracht
- De richting van de resultaten in de richting van de voortbeweging.
- Palingprincipe
Kenmerken:
- Een lagere stuwfase van de armbeweging mogelijk wordt
- Een verminderde frontale remming is.
Drijven of zinken
Het drijfvermogen is van belang bij zwemmen. Aangezien er energie dient te worden geleverd om
aan het oppervlak te blijven. De lichaamssamenstelling en lichaamsvolume beïnvloeden de massa.
Iemand met heel veel spieren zal dus zinken of zweven.
Het lichaamsvolume heeft invloed je massa. Door inademing is het volume groter en blijft de massa
gelijk. Het zinken of drijven heeft ook te maken met de opwaartse kracht en de zwaartekracht. Als de
zwaartekracht groter is dan de opwaartse kracht zal je zinken.
, Evenwichtsproblemen
Als een persoon horizontaal in het water gaat liggen werken de opwaartse kracht en de zwaarte
kracht meestal niet in elkaars verlengde. Er ontstaat dus een krachtkoppel. Door een ander opdruk
punt liggen vrouwen horizontaler dan mannen. Vrouwen hebben meer vetweefsel en drijven daarom
ook beter dan mannen.
Voor een stabiele ligging moet het zwaartepunt lager liggen dan het opdrukpunt.
Bij een labiele evenwicht wordt versterkt als iemand een dikke buik heeft. De punten liggen verder
van elkaar waardoor de neiging tot kantelen groter wordt.
Oefeningen om evenwicht aan te laten voelen:
12-25
91
93-100
103-106
110-119
136-138
143-144
159-162
Blz 13-25
Massa van wat er is de massa per hoeveelheid volume.
Soortgelijke massa = massa (in kilos’s)/ Volume (Aantal liters).
Water weegt ongeveer een kilo per liter. De soortgelijke massa van een mens kan actief worden
beïnvloed door het volume te vergroten de massa nagenoeg gelijk te laten. Dit gebeurd door in te
ademen. Door inademing zetten de longen uit en stijgt het volume zodat dat de massa noem waardig
is.
Opwaartse kracht is net als de zwaartekracht gelijk aan de aangrijpingspunt. Het aangrijpingspunt van
de opwaartse kracht heet opdrukpunt.
Vrouwen die bredere heupen hebben, hebben ook een groter volume bij de benen. De invloed van
zwaartekracht in het water wordt door opwaartse drukkracht tegengewerkt.
Bij het zwemmen zijn verschillende soorten weerstand
- Vormweerstand; de druk en wervelweerstand en de frontale weerstand.
- Golfweerstand; golfvorming ontstaat door voortbewegign.
- Druk- of wervelweerstand; Door beweging van het lichaam tijdens het zwemmen zijn de
watermoleculen ongestructureerd. De druk van water neemt toe.
- Frontale weerstand; hoe groter het oppervlakte van het frontaal vlak hoe groter de frontale
weerstand.
- Wrijvingsweerstand; Weerstand ontstaat door iets wat niet glad genoeg is. Denk aan een
wijde zwembroek of beharing. Maar het schreven van hoofd, brost en been haar heft geen invloed
omdat er geen weerstandvermindering op treedt.
- Passieve weerstand:
De relatie tussen de lichaamsvorm en de passieve weerstand toeneemt met stijgend snelheid.
De waterweerstand het kleinste is in buiklig. Iets groter dan bij 45 graden.
Doordat het lichaam constant in beweging is, is er nauwelijks sprake van passieve weerstand.
Passieve weerstand vindt plaats tijdens startsprong en na de afstoot.
- Actieve weerstand; actieve voorstuwing door het lichaam zelf.
Voortbeweging wordt ook wel netto-propulsie. Betere stuwing ontstaat door te werken aan je
conditie en techniek.
Stuwvlakken
,Waterweerstand wordt benut door stuwvlakken. Tijdens armbewegingen zijn handen en onderarmen
stuwvlakken. Bij de beenbeweging zijn dit de voeten en onderbenen. Hoe groter de stuwvlakken hoe
groter de voortstuwing.
Stuwingprincipes
Het voortbewegen. Inzicht is heel erg belangrijk voor het stuwingproces, de volgende
stuwingprocessen komen bij zwemmen voor:
- Actie-reactie principe
Derde wet van newton, na elke actie ontstaat er een reactie die gelijk, maar tegengesteld is aan de
weerstand die het stuwvlak ondervindt.
Kernmerken:
- Stuwvlak heeft een vlakke vorm, staat loodrecht op de bewegingsbaan en beweegt
achterwaarts.
- De grootste voortstuwingkracht= weerstandskracht
- De beweging van het stuwvlak wordt in tegengestelde richting van de voortbeweging
uitgevoerd.
Bij een roeispaan wordt het water loodrecht naar achter gebracht (actie) met als reactie een
voorwaartse beweging.
Bij schoepenrad komen de beweegbare snel achter elkaar en onder een kleine invalshoek in het
water.
- Draagvleugel- of schroefprincipe
Kenmerken:
- Het stuwvlak met gekromde vorm staat schuin op de bewegingsbaan en beweegt zijwaarts.
- De weerstandkracht si altijd tegengesteld gericht aan de bewegingsrichting van het stuwvlak.
- De liftkracht staat steeds loodrecht op de weerstandskracht
- De richting van de resultaten in de richting van de voortbeweging.
- Palingprincipe
Kenmerken:
- Een lagere stuwfase van de armbeweging mogelijk wordt
- Een verminderde frontale remming is.
Drijven of zinken
Het drijfvermogen is van belang bij zwemmen. Aangezien er energie dient te worden geleverd om
aan het oppervlak te blijven. De lichaamssamenstelling en lichaamsvolume beïnvloeden de massa.
Iemand met heel veel spieren zal dus zinken of zweven.
Het lichaamsvolume heeft invloed je massa. Door inademing is het volume groter en blijft de massa
gelijk. Het zinken of drijven heeft ook te maken met de opwaartse kracht en de zwaartekracht. Als de
zwaartekracht groter is dan de opwaartse kracht zal je zinken.
, Evenwichtsproblemen
Als een persoon horizontaal in het water gaat liggen werken de opwaartse kracht en de zwaarte
kracht meestal niet in elkaars verlengde. Er ontstaat dus een krachtkoppel. Door een ander opdruk
punt liggen vrouwen horizontaler dan mannen. Vrouwen hebben meer vetweefsel en drijven daarom
ook beter dan mannen.
Voor een stabiele ligging moet het zwaartepunt lager liggen dan het opdrukpunt.
Bij een labiele evenwicht wordt versterkt als iemand een dikke buik heeft. De punten liggen verder
van elkaar waardoor de neiging tot kantelen groter wordt.
Oefeningen om evenwicht aan te laten voelen: