Psychological Science Michael S. Gazzaniga
Hoofdstuk 3. Biology and Behavior
Belangrijke begrippen + Samenvatting
, Hoofdstuk 3. Biology and Behavior
Central nervous system (CNS): de hersenen en het ruggenmerg
Peripheral nervous system (PNS): alle zenuwcellen in het lichaam die geen deel uitmaken van het
centrale zenuwstelsel. Het perifere zenuwstelsel omvat het somatische en autonome zenuwstelsel
Neurons: de basiseenheden van het zenuwstelsel; cellen die informatie in het zenuwstelsel
ontvangen, integreren en doorgeven. Ze werken door middel van elektrische impulsen, communiceren
met andere neuronen door chemische signalen en vormen neurale netwerken
Dendrites: takachtige verlengstukken van het neuron die informatie van andere neuronen detecteren
Cell body: de plek in het neuron waar informatie van duizenden andere neuronen wordt verzameld en
geïntegreerd
Axon: een lange, smalle uitgroei van een neuron waardoor informatie van het cellichaam naar de
eindknoppen wordt geleid en geïntegreerd
Terminal buttons: aan de uiteinden van axonen, kleine knobbeltjes die chemische signalen van het
neuron afgeven in de synaps
Synapse: de opening tussen de eindknoppen van een ‘zenden’ neuron en de dendrieten van een
‘ontvangend’ neuron; de plaats waar chemische communicatie plaatsvindt tussen neuronen
Action potential: het elektische signaal dat langs het axon gaat en vervolgens de afgifte van
chemicaliën uit de terminalknoppen veroorzaakt
Resting membrane potential: de elektrische lading van een neuron wanneer het niet actief is
Myelin sheath: een vettig materiaal, bestaande uit gliacellen, dat sommige axonen isoleert om een
snellere beweging van elektrische impulsen langs het axon mogelijk maken
Nodes of Ranvier: kleine openingen van blootgesteld axon, tussen de segmenten van de
myelineschede, waar actiepotentialen plaatsvinden
All-or-none principe: het principe dat wanneer een neuron vuurt, het elke keer met dezelfde kracht
vuurt; een neuron vuurt of niet – het kan niet gedeeltelijk vuren, hoewel de frequentie van het vuren
kan variëren
Neurotransmitters: chemische stoffen die signalen van het ene neuron naar het andere overbrengen
Receptors: in neuronen, gespecialiseerde eiwitmoleculen op het postsynaptische membraan;
neurotransmitters binden aan deze moleculen nadat ze de synaps zijn gepasseerd
Reuptake: het proces waarbij een neurotransmitter wordt teruggevoerd naar de presynaptische
terminale knoppen, waardoor de activiteit wordt stopgezet
Acetylcholine (Ach): de neurotransmitter die verantwoordelijk is voor motorische controle op de
kruising tussen zenuwen en spieren; het is ook betrokken bij mentale processen zoals leren,
geheugen, slapen en dromen
Hoofdstuk 3. Biology and Behavior
Belangrijke begrippen + Samenvatting
, Hoofdstuk 3. Biology and Behavior
Central nervous system (CNS): de hersenen en het ruggenmerg
Peripheral nervous system (PNS): alle zenuwcellen in het lichaam die geen deel uitmaken van het
centrale zenuwstelsel. Het perifere zenuwstelsel omvat het somatische en autonome zenuwstelsel
Neurons: de basiseenheden van het zenuwstelsel; cellen die informatie in het zenuwstelsel
ontvangen, integreren en doorgeven. Ze werken door middel van elektrische impulsen, communiceren
met andere neuronen door chemische signalen en vormen neurale netwerken
Dendrites: takachtige verlengstukken van het neuron die informatie van andere neuronen detecteren
Cell body: de plek in het neuron waar informatie van duizenden andere neuronen wordt verzameld en
geïntegreerd
Axon: een lange, smalle uitgroei van een neuron waardoor informatie van het cellichaam naar de
eindknoppen wordt geleid en geïntegreerd
Terminal buttons: aan de uiteinden van axonen, kleine knobbeltjes die chemische signalen van het
neuron afgeven in de synaps
Synapse: de opening tussen de eindknoppen van een ‘zenden’ neuron en de dendrieten van een
‘ontvangend’ neuron; de plaats waar chemische communicatie plaatsvindt tussen neuronen
Action potential: het elektische signaal dat langs het axon gaat en vervolgens de afgifte van
chemicaliën uit de terminalknoppen veroorzaakt
Resting membrane potential: de elektrische lading van een neuron wanneer het niet actief is
Myelin sheath: een vettig materiaal, bestaande uit gliacellen, dat sommige axonen isoleert om een
snellere beweging van elektrische impulsen langs het axon mogelijk maken
Nodes of Ranvier: kleine openingen van blootgesteld axon, tussen de segmenten van de
myelineschede, waar actiepotentialen plaatsvinden
All-or-none principe: het principe dat wanneer een neuron vuurt, het elke keer met dezelfde kracht
vuurt; een neuron vuurt of niet – het kan niet gedeeltelijk vuren, hoewel de frequentie van het vuren
kan variëren
Neurotransmitters: chemische stoffen die signalen van het ene neuron naar het andere overbrengen
Receptors: in neuronen, gespecialiseerde eiwitmoleculen op het postsynaptische membraan;
neurotransmitters binden aan deze moleculen nadat ze de synaps zijn gepasseerd
Reuptake: het proces waarbij een neurotransmitter wordt teruggevoerd naar de presynaptische
terminale knoppen, waardoor de activiteit wordt stopgezet
Acetylcholine (Ach): de neurotransmitter die verantwoordelijk is voor motorische controle op de
kruising tussen zenuwen en spieren; het is ook betrokken bij mentale processen zoals leren,
geheugen, slapen en dromen