Persoonlijkheidspsychologie:
Persoonlijkheid:
Wat is persoonlijkheid:
Een kenmerkend patroon van denken, voelen en gedragen.
Verschillende theorieën over de ontwikkeling hiervan/het beschrijven hiervan.
Trait theoretisch perspectief:
Trait theorie:
Persoonlijkheid = een stabiel, blijvend patroon van karakteristieke gedragingen. -> het omschrijven
van persoonlijkheid ‘traits’/trekken.
Trait = karaktertrek = stabiel persoonlijkheidskenmerk waarvan men aanneemt dat het zich in een
individu bevindt en dat in verschillende omstandigheden een leidraad vormt voor zijn of haar
gedachten en handelingen.
The big five:
Openheid (voor ervaringen). Mensen die hier laag op scoren conformeren zich sneller naar een groep
dan mensen die hier hoog op scoren.
Ordelijkheid (zorgvuldigheid). Mensen die hier hoog op scoren zijn meer berekenbaar. Mensen die hier
lager op scoren zijn wat onberekenbaar.
Extraversie. Hoe outgoing en assertief iemand is. Mensen die hoger scoren hebben over het algemeen
een meer uitgaande persoonlijkheid en krijgen energie van met veel andere mensen zijn. Mensen die
lager scoren zijn meer introvert en zijn wat voorzichtiger.
Neuroticisme (emotionele stabiliteit). Mensen die hoog scoren zijn meer angstig en zelfbewuster, meer
vatbaar voor stress. Vaak emotioneel instabiel. Mensen die laag scoren zijn wat relaxter en minder snel
angstig.
Aanvaardbaarheid (vriendelijkheid). Mensen die hoog scoren zijn wat meer recht door zee en zijn
meegaander en gevoeliger in de omgang met andere mensen. Mensen die laag scoren worden vaak
gezien als wat meer cynisch en minder coöperatief. Mensen die laag scoren zijn wel beter in het
doorhakken van knopen.
Psychometrische persoonlijkheidstesten:
De multiphasic personality inventory (MMPI_2) is de meest onderzocht + klinisch gebruikte
psychometrische persoonlijkheidstest.
Scoort uitstekend op betrouwbaarheid (vrij van invloed van toevallige factoren) en validiteit (meet wat
het moet meten).
Kritiek vs inspiratie:
(On)stabiliteit persoonlijkheid?
Mensen zijn niet altijd voorspelbaar.
Labelling.
Inspiratie voor o.a. sollicitatieprocedure, educatie, zelfontwikkeling.
Kan (gemiddeld) gedrag voorspellen.
Relevantie voor de criminologie:
Narcisme:
Complexe persoonlijkheidsstoornis, met o.a.:
Grootheidswaanzin.
Entitlement (overal recht op hebben).
Dominantie/uitoefenen van controle.
Superioriteit.
Manipulatief.
Geen emotionele empathie.
Qua types -> DSM-V benadrukt alleen grandioos narcisme, terwijl er ook anders scholen/subtypes
zijn.
Bestaand onderzoek schaars; psychologen oneens over (sub)scholen en subtypes.
Mogelijk: klein – middel – groot.
Instinctief of onbewust/volledig bewust.
Hoofddoelen:
Controle.
Brandstof (narcissistic supply).