gedraging die schadelijk is voor de samenleving. C) Een gedraging die moreel verwerpelijk is. D) Een
gedraging die de sociale normen overtreedt. Antwoord: A
Vraag 2: Wat is het doel van straf volgens het retributieve strafrecht? A) Het voorkomen van
toekomstige criminaliteit. B) Het beschermen van de samenleving. C) Het vergelden van het
gepleegde misdrijf. D) Het rehabiliteren van de dader. Antwoord: C
Vraag 3: Welke benadering van criminaliteit richt zich op de sociale en economische factoren die
bijdragen aan crimineel gedrag? A) Biologische benadering. B) Psychologische benadering. C)
Sociologische benadering. D) Criminele rechtvaardigheidsbenadering. Antwoord: C
Vraag 4: Wat is de term voor het proces waarbij individuen crimineel gedrag aanleren door interactie
met anderen? A) Sociale desorganisatie. B) Sociale controle. C) Sociale leertheorie. D) Sociale
stigmatisering. Antwoord: C
Vraag 5: Welke van de volgende theorieën stelt dat criminaliteit het gevolg is van ongelijke
machtsverhoudingen in de samenleving? A) Sociale controletheorie. B) Straintheorie. C)
Conflicttheorie. D) Etiketteringstheorie. Antwoord: C
Vraag 6: Welk niveau van analyse richt zich op individuele criminogene factoren zoals
persoonlijkheidskenmerken en biologische aanleg? A) Micro-niveau. B) Meso-niveau. C) Macro-
niveau. D) Mezzo-niveau. Antwoord: A
Vraag 7: Welke van de volgende benaderingen van strafrecht benadrukt het voorkomen van
toekomstige misdrijven door middel van afschrikking en bestraffing? A) Retributieve benadering. B)
Preventieve benadering. C) Rehabilitatieve benadering. D) Restoratieve benadering. Antwoord: B
Vraag 8: Welke van de volgende theorieën stelt dat crimineel gedrag voortkomt uit een gebrek aan
legitieme kansen om sociaal-economische doelen te bereiken? A) Sociale controletheorie. B)
Straintheorie. C) Conflicttheorie. D) Etiketteringstheorie. Antwoord: B
Vraag 9: Wat is de term voor de processen die ervoor zorgen dat individuen stoppen met crimineel
gedrag? A) Socialisatie. B) Stigmatisering. C) Resocialisatie. D) Desistance. Antwoord: D
Vraag 10: Welke van de volgende factoren wordt vaak geassocieerd met de opkomst van moderne
georganiseerde criminaliteit? A) Globalisering. B) Industrialisatie. C) Democratie. D) Urbanisatie.
Antwoord: A
Vraag 11: Welke benadering van strafrecht benadrukt het herstellen van de schade die is toegebracht
aan slachtoffers en de gemeenschap? A) Retributieve benadering. B) Preventieve benadering. C)
Rehabilitatieve benadering. D) Restoratieve benadering. Antwoord: D
Vraag 12: Welke van de volgende theorieën stelt dat crimineel gedrag voortkomt uit de interactie
tussen individuele kenmerken en omgevingsfactoren? A) Biosociale theorie. B) Differentiële
associatietheorie. C) Labelingtheorie. D) Rational choicetheorie. Antwoord: B
Vraag 13: Wat is de term voor een juridisch proces waarbij een verdachte schuldig wordt bevonden
zonder dat er een formele rechtszaak heeft plaatsgevonden? A) Plea bargain. B) Arrestatie. C)
Voorarrest. D) Schikking. Antwoord: A
Vraag 14: Welke van de volgende theorieën stelt dat crimineel gedrag het gevolg is van een rationele
afweging van de kosten en baten? A) Biosociale theorie. B) Differentiële associatietheorie. C)
Labelingtheorie. D) Rational choicetheorie. Antwoord: D