Tijd van regenten en vorsten (1600 tot 1700)
Terwijl diverse landen in Europa werden verscheurd door binnenlandse twisten, heersde er in de
Republiek rust. De handel bloeide op, waar het gewest Holland van profiteerde. De dominante
positie van Holland werd zo groot, dat zelfs nu Nederland in het buitenland nog Holland wordt
genoemd. Naast de economische bloei, kwam er ook kennis en kunst een grote opgang. De
Schilderkunst in Nederland werd zo kenmerkend, dat de 17e eeuw daarom De Gouden Eeuw wordt
genoemd. Schrijvers als P.C. Hooft en Jacob Cats publiceerde werken die nu nog gelezen en bewerkt
worden. De kunsthandel bloeide en kunstwerken werden steeds minder godsdienstig. De Bijbelse
figueren werden menselijker afgebeeld.
Rembrandt van Rijn werd geboren als zoon van een molenaar uit Leiden in 1606. Hij vestigde zich in
A’dam, waar hij liet zien dat hij, in tegenstelling tot anderen, meerdere genres beheersde. Hij verfde
zonder schets, met licht en donker wat hem bijzonder maakt.
In de gouden eeuw werden armen armer, en rijken rijker. Er werd naar de Republiek toe gemigreerd
voor de hoge werkgelegenheid, waarna de belastingen en prijzen verdubbelden en de lonen
gelijkbleven. De zwaarste belastingen werden geheven op levensbehoeften, zoals brood, zout en
bier.
De allerarmsten leefden voornamelijk in de bogen van de stadsmuren. De kerk deelde vaak kleren en
eten uit, en richtte armen- en weeshuizen op. Wanneer de overlast te groot werd, werd er een
klopjacht georganiseerd, zodat zij naar andere steden werden gedwongen. Recidivisten werden
letterlijk gebrandmerkt, en de openbare werkhuizen hervoedde zwervers en klaploper op. Als ze
vaker waren weggelopen kregen ze een blok aan hun been, die uit twee delen bestaat en in het
midden ruimte overlaat voor de voet.
De handel is de belangrijkste bron van inkomsten. Amsterdam was in 17e eeuw een Stapelmarkt;
Amsterdam werd het financiële centrum.
Een belangrijke industrie was de Textielnijverheid, en dan niet de fabrieken maar thuis. Wevers
werkten tegen stukprijs thuis, waar de grondstof naar toe werd gebracht. Ook werd er vaak
windmolens gebruikt bij veel industriën. In Zaandam werd de eerste windmolen gebouwd in 1596,
waar hij werd gebruikt om hout te zagen.
Landbouw en veeteelt veranderden, in de middeleeuwen hadden boeren vaak nevenberoepen zoals
herbergier, visser etc. vanaf de 17e eeuw werd dit steeds minder, de boer besteedde meer tijd aan
het boerenbedrijf, die voornamelijk gericht was op vlas, lijnzaad en hop. De veeteelt was
voornamelijk een bijverdienst. Grasland werd veranderd in akkerland en wetenschappers bogen zich
over nieuwe manieren om goed land te winnen. Jan leeghwater ontwikkelde watermolens, die
maakte het mogelijk om grote stukken grond droog te leggen. De bekendste droogmakerijen zijn de
Beemster, purmer en Heerhugowaard. De grond bleef te vochtig voor akkerbouw.
Visserijen zorgden voor voornamelijk haring. Visser zijn was een gevaarlijk beroep, door kapers en
voedseltekort.
In 1602 werd de Verenigde Oost-indische Compagnie opgericht door de belangrijkste kooplieden(de
Heren XVII). De VOC financiërde lange reizen naar de Oost. Zij kregen, op advies van Johan van
1 H6, Tijd van Regenten en Vorsten(1600 – 1700)
Terwijl diverse landen in Europa werden verscheurd door binnenlandse twisten, heersde er in de
Republiek rust. De handel bloeide op, waar het gewest Holland van profiteerde. De dominante
positie van Holland werd zo groot, dat zelfs nu Nederland in het buitenland nog Holland wordt
genoemd. Naast de economische bloei, kwam er ook kennis en kunst een grote opgang. De
Schilderkunst in Nederland werd zo kenmerkend, dat de 17e eeuw daarom De Gouden Eeuw wordt
genoemd. Schrijvers als P.C. Hooft en Jacob Cats publiceerde werken die nu nog gelezen en bewerkt
worden. De kunsthandel bloeide en kunstwerken werden steeds minder godsdienstig. De Bijbelse
figueren werden menselijker afgebeeld.
Rembrandt van Rijn werd geboren als zoon van een molenaar uit Leiden in 1606. Hij vestigde zich in
A’dam, waar hij liet zien dat hij, in tegenstelling tot anderen, meerdere genres beheersde. Hij verfde
zonder schets, met licht en donker wat hem bijzonder maakt.
In de gouden eeuw werden armen armer, en rijken rijker. Er werd naar de Republiek toe gemigreerd
voor de hoge werkgelegenheid, waarna de belastingen en prijzen verdubbelden en de lonen
gelijkbleven. De zwaarste belastingen werden geheven op levensbehoeften, zoals brood, zout en
bier.
De allerarmsten leefden voornamelijk in de bogen van de stadsmuren. De kerk deelde vaak kleren en
eten uit, en richtte armen- en weeshuizen op. Wanneer de overlast te groot werd, werd er een
klopjacht georganiseerd, zodat zij naar andere steden werden gedwongen. Recidivisten werden
letterlijk gebrandmerkt, en de openbare werkhuizen hervoedde zwervers en klaploper op. Als ze
vaker waren weggelopen kregen ze een blok aan hun been, die uit twee delen bestaat en in het
midden ruimte overlaat voor de voet.
De handel is de belangrijkste bron van inkomsten. Amsterdam was in 17e eeuw een Stapelmarkt;
Amsterdam werd het financiële centrum.
Een belangrijke industrie was de Textielnijverheid, en dan niet de fabrieken maar thuis. Wevers
werkten tegen stukprijs thuis, waar de grondstof naar toe werd gebracht. Ook werd er vaak
windmolens gebruikt bij veel industriën. In Zaandam werd de eerste windmolen gebouwd in 1596,
waar hij werd gebruikt om hout te zagen.
Landbouw en veeteelt veranderden, in de middeleeuwen hadden boeren vaak nevenberoepen zoals
herbergier, visser etc. vanaf de 17e eeuw werd dit steeds minder, de boer besteedde meer tijd aan
het boerenbedrijf, die voornamelijk gericht was op vlas, lijnzaad en hop. De veeteelt was
voornamelijk een bijverdienst. Grasland werd veranderd in akkerland en wetenschappers bogen zich
over nieuwe manieren om goed land te winnen. Jan leeghwater ontwikkelde watermolens, die
maakte het mogelijk om grote stukken grond droog te leggen. De bekendste droogmakerijen zijn de
Beemster, purmer en Heerhugowaard. De grond bleef te vochtig voor akkerbouw.
Visserijen zorgden voor voornamelijk haring. Visser zijn was een gevaarlijk beroep, door kapers en
voedseltekort.
In 1602 werd de Verenigde Oost-indische Compagnie opgericht door de belangrijkste kooplieden(de
Heren XVII). De VOC financiërde lange reizen naar de Oost. Zij kregen, op advies van Johan van
1 H6, Tijd van Regenten en Vorsten(1600 – 1700)