2. Hoofdstuk 2: Socrates en de sofisten
1. Situering
Eerste hoofdstuk hoe de pre-socratische filosofen loskwamen van de mythische manier van
verklaren en denken. Stelde vragen naar de aard van het zijn en worden.
Loop vzn 5de eeuw: nieuw thema de mens, in die periode veplaatste het centrum van de filosofie
zich van de Griekse eilanden naar de stadsstaat Athene
2. De sofisten
2.1. Rondtrekkende leraars
Er waren rondtrekkende leraars die hun diensten aanboden, ze noemden zich sofistes (=beoefenaars
van de wijsheid). Ze waren pragmatisch ingesteld. (=of het nuttig en bruikbaar iss).
Waarop leggen sofisten zich toe?
- Kunst van het spreken (=grammatica)
- Het argumenteren (=dialectica)
- Het overtuigen (=retorica)
Sofisten maken onderscheid tussen natuur (=psysis) datgene wat van zichzelf ontwikkelt en de
nomos (=wet/traditie) datgene dat door de mens is gemaakt
Psysis en nomos zijn voorlopers van nature/nurture.
2.2. Protagoras: de mens in de maat
Protagoras is belangrijkste sofist. Hij had materialistische kijk op de aard van de kosmos, namelijk dat
alles in de natuur te herleiden is tot materiële deeltjes.
Uitspraak protagoras: de mens is de maat van alles verwijst naar het feit dat de mens zelf is die
bepaalt wat waar, goed en slecht is, en niet een of ander ander extern beginsel
Hij beweerde ook niks te weten van goden, niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.
Begrippen:
Relativisten = er bestaat geen absolute waarheid, geen waarheid die voor iedereen zou gelden.
Agnotisch = komt van (a=niet) en gnosis (=weten). Een agnost zal het bestaan van god noch
ontkennen, nog bevestigen.
Atheïst = zal beweren dat God niet bestaat, er is geen God
2.3. Kritiek van plato op de sofisten
Thuis
3. Socratos
3.1. Socrates de horzel
Geboren in athene en tijdgenoot van sofisten, hij liet geen geschriften na.
Uiterlijk heel onverzorgd, maar voor plato wel als innerlijk de mooiste en zuiverste mens die er
bestaat.
Voor Socrates was het niet te doen om geld of aanzien, gebrek aan materiële werd niet gesmaakt
door zijn vrouw Xantippe
1. Situering
Eerste hoofdstuk hoe de pre-socratische filosofen loskwamen van de mythische manier van
verklaren en denken. Stelde vragen naar de aard van het zijn en worden.
Loop vzn 5de eeuw: nieuw thema de mens, in die periode veplaatste het centrum van de filosofie
zich van de Griekse eilanden naar de stadsstaat Athene
2. De sofisten
2.1. Rondtrekkende leraars
Er waren rondtrekkende leraars die hun diensten aanboden, ze noemden zich sofistes (=beoefenaars
van de wijsheid). Ze waren pragmatisch ingesteld. (=of het nuttig en bruikbaar iss).
Waarop leggen sofisten zich toe?
- Kunst van het spreken (=grammatica)
- Het argumenteren (=dialectica)
- Het overtuigen (=retorica)
Sofisten maken onderscheid tussen natuur (=psysis) datgene wat van zichzelf ontwikkelt en de
nomos (=wet/traditie) datgene dat door de mens is gemaakt
Psysis en nomos zijn voorlopers van nature/nurture.
2.2. Protagoras: de mens in de maat
Protagoras is belangrijkste sofist. Hij had materialistische kijk op de aard van de kosmos, namelijk dat
alles in de natuur te herleiden is tot materiële deeltjes.
Uitspraak protagoras: de mens is de maat van alles verwijst naar het feit dat de mens zelf is die
bepaalt wat waar, goed en slecht is, en niet een of ander ander extern beginsel
Hij beweerde ook niks te weten van goden, niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.
Begrippen:
Relativisten = er bestaat geen absolute waarheid, geen waarheid die voor iedereen zou gelden.
Agnotisch = komt van (a=niet) en gnosis (=weten). Een agnost zal het bestaan van god noch
ontkennen, nog bevestigen.
Atheïst = zal beweren dat God niet bestaat, er is geen God
2.3. Kritiek van plato op de sofisten
Thuis
3. Socratos
3.1. Socrates de horzel
Geboren in athene en tijdgenoot van sofisten, hij liet geen geschriften na.
Uiterlijk heel onverzorgd, maar voor plato wel als innerlijk de mooiste en zuiverste mens die er
bestaat.
Voor Socrates was het niet te doen om geld of aanzien, gebrek aan materiële werd niet gesmaakt
door zijn vrouw Xantippe