Zimbardo
Hoofdstuk 9: Motivatie en emotie
Centrale vraag: Motivatie is grotendeels een innerlijk en subjectief proces. Hoe
kunnen we vaststellen wat mensen als Maarten van de Weijden motiveert om koste
wat kost het beste van de wereld te zijn op hun gebied?
§9.1: Wat motiveert ons?
Antwoord: Motieven zijn innerlijke drijfveren om op een bepaalde manier te
handelen, al kunnen ze door allerlei factoren worden beïnvloed, zowel interne
als externe.
Motivatie is de term voor alle processen die te maken hebben met de aanzet, de
richting, de intensiteit en het volhouden van lichamelijke en psychische activiteiten.
Het concept motivatie verwijst naar alle processen met betrekking tot:
a. Het voelen van een behoefte of verlangen en vervolgens…
b. …Het activeren en richting geven aan het organisme door het selecteren,
sturen en volhouden van mentale en fysieke activiteit die gericht is op
bevrediging van de behoefte of het verlangen en daardoor…
c. …Het reduceren van de behoeftesensatie
§9.1.1: Prestatiemotivatie
Extrinsieke motivatie is het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van
een externe consequentie, zoals een beloning. Denk aan: geld verdienen, goede
cijfers halen, eten, drinken, beloningen, lof, etc.
Intrinsieke motivatie is het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van de
activiteit zelf, en niet vanwege een externe consequentie, zoals een beloning. Het
zijn motieven die vanuit de persoon ontstaan.
Prestatiedrang (need for achievement, n Ach) is in McClellands theorie: een
geestelijke toestand die een psychologische behoefte veroorzaakt om een moeilijk
maar aantrekkelijk doel te bereiken.
Kenmerken van mensen met een hoge prestatiedrang ten opzichte van mensen met
een lagere prestatiedrang:
Werken harder;
Zijn succesvoller in hun werk;
Meer doorzettingsvermogen bij moeilijke opdrachten;
Hogere cijfers;
Vaker hoger IQ;
Beroepen met competentie als belangrijke factor;
Nemen vaker de leidersrol op zich;
Maken sneller carrière.
,Psychologie, een inleiding Samenvatting Daphne Hendriks
Zimbardo
Een specifieke test om prestatiemotivatie te meten werd ontworpen door de
Nederlandse psycholoog Hermans. De prestatiemotivatietest (PMT) meet drie
aspecten die gerelateerd zijn aan prestatiemotivatie:
1. Prestatiemotief: een relatief stabiele persoonlijkheidseigenschap die in
specifieke situaties leidt tot …
2. Presteren: positieve faalangst
3. Presteren: negatieve faalangst
Positieve en negatieve faalangst zijn beide bepalend voor de productiviteit en de
houding ten opzichte van werk.
De oorspronkelijke PMT is te gebruiken vanaf 16 jaar. Er is ook een versie voor
kinderen ontwikkeld: PMT-K.
Westerlingen zien prestaties meestal als het gevolg van individueel talent,
vastberadenheid, intelligentie of houding (individualisme). In een groot deel van de
wereld wordt prestatie anders bekeken, in een bredere context, als een combinatie
van persoonlijke, sociale en emotionele factoren (collectivisme).
§9.1.2: De onverwachte effecten van beloningen op motivatie
Overrechtvaardiging (overjustification) is het proces waarbij een extrinsieke
beloning een interne motivatie verdringt (denk aan het verhaal met de tekening en
het diploma). Door de overrechtvaardiging was de motivatie van de kinderen
verschoven van intrinsiek naar extrinsiek. Het gevolg was dat de kinderen geen zin
hadden om een tekening te maken zonder daar een beloning voor te krijgen. Het lijkt
erop dat een beloning soms het plezier wegneemt van iets ‘voor de lol’ doen.
Beloningen kunnen ook botsen met intrinsieke motivatie, maar alleen onder bepaalde
omstandigheden. Als een beloning wordt gegeven zonder rekening te houden met
het prestatieniveau, treedt overrechtvaardiging op (nadelige effect van belonen). En
dat was het geval bij de kinderen die een diploma kregen voor hun tekening. Iets
dergelijks valt te verwachten als een bedrijf aan het eind van het jaar een bonus
geeft die losstaat van de geleverde prestaties.
We beschikken nu over het bewijs dat belonen wel degelijk een functie hoef bi het
motiveren van mensen, maar alleen als de beloning in verhouding staat tot de
prestatie, en niet wordt gebruikt om iemand ‘om te kopen’. In het algemeen hebben
beloningen drie belangrijke gevolgen voor motivatie, afhankelijk van de
omstandigheden:
1. Beloningen kunnen een effectieve manier zijn om mensen te motiveren dingen
te doen die ze anders niet zouden doen, zoals het gras maaien of de
vuilniszak buiten zetten.
2. Beloningen kunnen de motivatie vergroten, mits ze worden gegeven voor een
goede prestatie.
3. Beloningen kunnen intrinsieke motivatie nadelig beïnvloeden, als ze worden
gegeven zonder rekening te houden met de kwaliteit van het werk.
§9.2: Hoe worden onze motivatieprioriteiten gesteld?
Antwoord: Een nieuwe theorie die Maslows hiërarchie combineert met
evolutiepsychologie, stelt dat functionele, proximale en ontwikkelingsfactoren
bepalen welke motieven prioriteit krijgen.
, Psychologie, een inleiding Samenvatting Daphne Hendriks
Zimbardo
Maslow heeft een van de invloedrijkste ideeën in de geschiedenis van de
psychologie gehad: dat verschillende motieven verschillende prioriteiten hebben, op
basis van de behoeftehiërarchie. Er zijn verschillende theorieën die elk hun eigen
accent leggen op verschillende aspecten van motivatie.
§9.2.1: De instincttheorie
De instincttheorie is een verouderd idee dat bepaalde gedragspatronen (instincten)
worden bepaald door aangeboren factoren. De instincttheorie hield geen rekening
met de effecten van leren en gebruikte instincten vooral als labels, in plaats van als
verklaringen voor gedrag. Volgens deze theorie is dit een redelijk goede verklaring
voor regelmatige cycli in diergedrag, die in wezen bij een gehele soort op de zelfde
manier voorkomen.
De betekenis van het woord instinct is niet meer duidelijk, omdat het tegenwoordig
veel wordt gebruikt om gedrag te labelen in plaats van gedrag te verklaren.
Ethologen spreken daarom liever van gefixeerde actiepatronen. Dat zijn niet-
aangeleerde gedragingen die bij de gehele soort voorkomen en het gevolg zijn van
identificeerbare stimuli.
§9.2.2: De drijfveertheorie
Een biologische drijfveer is de toestand van energie of spanning die een
organisme beweegt om een biologische behoefte te vervullen. Het is een motief,
zoals dorst, dat primair biologisch is.
Een behoefte is in de drijfveertheorie: een biologische onevenwichtigheid (zoals
uitdroging) die de overleving in gevaar brengt als het evenwicht niet wordt hersteld.
Men denkt dat biologische behoeften ten grondslag liggen aan drijfveren.
Volgens de drijfveertheorie produceert een biologische behoefte de drijfveer, die op
zijn beurt het gedrag aanstuurt in een zodanige richting dat in e behoefte wordt
voorzien. De drijfveer motiveert het dier dus tot handelen om de door de drijfveer
veroorzaakte spanning te reduceren, een proces dat drive reduction wordt
genoemd. Volgens de drijfveertheorie verkeert het organisme bij voorkeur in een
toestand van evenwicht, die homeostase wordt genoemd.
§9.2.3: Freuds psychodynamische theorie
Volgens Freud was motivatie afkomstig uit de troebele diepten van de onbewuste
geest (id). Daar zouden zich ook twee elementaire verlangens bevinden:
1. Eros: het erotische of constructieve verlangen;
2. Thanatos: de agressieve of destructieve impuls.
Bijna alles wat we doen is volgens Freud gebaseerd op een van deze driften. Om
psychische problemen te voorkomen moeten we voortdurend zoeken naar een
acceptabele uitlaatklep voor onze seksuele en agressieve behoeften. Freud meende
dat werk, vooral creatief werk, de seksuele drift bevredigt.
Freud wilde geen verklaring vinden voor de alledaagse, biologisch gebaseerde
gedragingen die we aantreffen bij eten, drinken, paren, etc.; hij probeerde de
symptomen te verklaren die we aantreffen bij geestelijke stoornissen zoals fobieën of
depressie.