1. Oriëntatie op het vraagstuk................................................................................................................4
1.1. Aanleiding en context..................................................................................................................4
1.1.1. Organisatie............................................................................................................................4
1.1.2. Vraagstuk..............................................................................................................................4
1.2. Beschrijving vraagstuk.................................................................................................................5
1.2.1. Wijze van oriëntatie..............................................................................................................5
1.2.2. Informatie uit de praktijk......................................................................................................5
1.2.3. Theoretisch kader.................................................................................................................5
1.3. Relevantie....................................................................................................................................7
1.3.1. Onderbouwing relevantie.....................................................................................................7
2. Richten van het onderzoek.................................................................................................................7
2.1. Doel- en vraagstelling..................................................................................................................7
2.1.1 Doelstelling............................................................................................................................7
2.1.2. Hoofd- en deelvragen...........................................................................................................7
3. Plannen – de Onderzoeksmethode.....................................................................................................8
3.1. Opzet en uitvoering.....................................................................................................................8
3.2. Vragenlijsten................................................................................................................................8
3.3. Validiteit.......................................................................................................................................8
3.4. Betrouwbaarheid.........................................................................................................................9
3.5. Uitvoering en onderbouwing.......................................................................................................9
3.6. Analyse en onderbouwing...........................................................................................................9
4. Analyseren en concluderen..............................................................................................................10
4.1. Analyse......................................................................................................................................10
4.1.1. Labels..................................................................................................................................10
4.1.2. Codeboom..........................................................................................................................10
4.2. Bevindingen...............................................................................................................................11
4.2.1. Resultaten...........................................................................................................................11
4.2.2. Antwoorden deelvragen.....................................................................................................12
4.2.3. Antwoord hoofdvraag.........................................................................................................13
5. Rapporteren en presenteren............................................................................................................13
5.1. Evaluatie interviewvaardigheden...............................................................................................13
5.1.1. Evaluatie vragenlijst............................................................................................................13
5.1.2. Interviewfragmenten..........................................................................................................14
,6. Bronnenlijst......................................................................................................................................14
7. Bijlages..............................................................................................................................................15
Bijlage 1: Interview vragen................................................................................................................15
Bijlage 2: Horizontale vergelijking.....................................................................................................16
Bijlage 3: Interviewfragment 1 getranscribeerd en gelabeld............................................................21
Bijlage 4: Interviewfragment 2 getranscribeerd en gelabeld............................................................23
Bijlage 5: Zoekformulier....................................................................................................................25
3
,1. Oriëntatie op het vraagstuk
1.1. Aanleiding en context
1.1.1. Organisatie
In dit onderzoek staat de organisatie Playing for Success centraal. Playing for Success is
een naschools programma voor kinderen tussen de negen en veertien jaar oud bij wie het
door sociaal-emotionele redenen wat minder goed gaat op school (Playing for Success
Nederland, z.d.). Kinderen in deze leeftijdscategorie voelen zich vaak onzeker en zijn bezig
met wat de omgeving van hun denkt. Ze hechten veel waarde aan de mening en ideeën van
anderen. Veel kinderen van deze leeftijd slapen te weinig, wat van negatieve invloed is op
hun stemming en concentratie (Landsmeer-Dalm & Houben, 2023). Het programma van
Playing for Success duurt tien tot twaalf weken waarin er wordt gewerkt aan het verbeteren
van motivatie en zelfvertrouwen door een verbinding te leggen tussen leren en topsport. De
kinderen doen zoveel mogelijk positieve leerervaringen op in een uitdagende en inspirerende
omgeving buiten school. Dit stimuleert de kinderen om beter te presteren en verbetert de
leerprestaties (Playing for Success, z.d.).
Figuur 1. Werkwijze en beoogde resultaten Playing for Success (Verwey-Jonker instituut, 2014).
1.1.2. Vraagstuk
Motivatie en zelfvertrouwen zijn belangrijke factoren die bijdragen aan goede
schoolprestaties (Playing for Success, z.d.). Uit onderzoek blijkt dat slechts 40% van de
kinderen aangeeft veel zelfvertrouwen te hebben en van zichzelf fouten mag maken
(Kloosterman, 2021). Dit is een laag percentage, zeker omdat een laag zelfvertrouwen een
negatieve invloed kan hebben op schoolprestaties. Dit komt overeen met de kennisagenda
van hogeschool Rotterdam waarin het vergroten van onderwijskansen is opgenomen
(Hogeschool Rotterdam, z.d). De vraag is dan ook op welke wijze het zelfvertrouwen van
kinderen kan toenemen en welke rol de sociaal werker hierin kan spelen.
4
, 1.2. Beschrijving vraagstuk
1.2.1. Wijze van oriëntatie
Ter oriëntatie op dit vraagstuk is een professional bevraagd die werkzaam is bij Playing for
Success. In dit gesprek is besproken welke werkwijze centraal staat bij Playing for Success.
Ook is gezocht op trefwoorden passend bij het vraagstuk met hulp van zoekmachines als
Google, Google Scholar en Start, Hierbij zijn zoekwoorden gebruikt, zoals zelfvertrouwen en
sociaal-emotionele ontwikkeling. De verkregen informatie vanuit de literatuurstudie is
samengevat in het theoretisch kader.
1.2.2. Informatie uit de praktijk
Om informatie vanuit de praktijk te verkrijgen heb ik een oriënterend gesprek gevoerd met de
afdelingsmanager van Playing for Success Rotterdam. Het oriënterende gesprek heeft mij
inzicht gegeven in de wijze waarop Playing for Success te werk gaat en wat het effect is
hiervan. De uitkomsten zijn gebruikt om het vraagstuk helder te krijgen en goed te kunnen
beschrijven.
1.2.3. Theoretisch kader
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Sociaal-emotioneel is een samengestelde term van de woorden sociaal en emotioneel (Van
der Burg et al., 2021). Dit verwijst naar de manier waarop kinderen zich verhouden tot hun
sociale omgeving en hun gevoelswereld. Hierbij gaat het om vaardigheden als het uiten,
reguleren en herkennen van emoties. Als een kind sociaal-emotioneel niet goed ontwikkeld is
ontstaat er probleemgedrag. Dit komt tot uiting in enerzijds het naar binnen keren van
emoties, zoals angst en verdriet. Aan de andere kant gaat het om het uiten van emoties,
bijvoorbeeld woede en angst, hierdoor wordt de omgeving afgestoten (Van der Burg et al.,
2021). Veel kinderen die deelnemen aan het programma van Playing for Success ervaren
uitdagingen op het gebied van hun sociaal-emotionele ontwikkeling.
Motivatie
Martin (geciteerd in Van Gerven, 2019) definieert motivatie als de beweegreden en energie
die kinderen hebben om zich ergens voor in te zetten, te leren effectief te werken en te
presteren binnen hun mogelijkheden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen intrinsieke en
extrinsieke motivatie. Bij intrinsieke motivatie leert een kind vanuit persoonlijke interesse en
plezier, terwijl bij extrinsieke motivatie een kind leert vanuit verplichting, beloning of straf (Van
Gerven, 2019). Kinderen worden als gemotiveerd ervaren als ze hun gedrag kunnen
reguleren, veerkrachtig zijn, open staan voor uitdagingen en hard willen werken om hun doel
te behalen (Van Gerven, 2019). Het programma van Playing for Success biedt een
uitdagende omgeving wat de motivatie van kinderen kan vergroten.
Zelfvertrouwen
Zelfvertrouwen is het geloof van een kind in de eigen vaardigheden die nodig zijn om
bepaalde activiteiten goed te kunnen uitvoeren, maar ook of het kind op een positieve of
negatieve manier naar zichzelf kijkt (Tafarodi & Swan, 2001). Kinderen tussen de 10 en 14
jaar hebben vaak een verminderd zelfvertrouwen en zijn bezig met wat de omgeving van hun
denkt (Landsmeer-Dalm & Houben, 2023).
Psychologische behoeften
Ieder kind heeft psychologische basisbehoeften. De self-determination theory spreekt over
drie universele behoeften die voorwaardelijk zijn voor groei en welbevinden, namelijk
5