College 1: Introductie vak en introductie leerstrategieën
Belangrijk definities
Leren: een langdurige verandering in mentale representaties of
associaties als gevolg van ervaring.
o Deze definitie bevat drie kerncomponenten:
1. Langdurig: Korte, tijdelijke veranderingen (zoals het
onthouden van een telefoonnummer voor enkele
seconden) vallen hier niet onder.
2. Mentale representaties/associaties: Het betreft
interne structuren in het brein.
3. Ervaring: Veranderingen door biologische rijping,
vermoeidheid, alcohol/drugs of ziekte zijn geen leren.
Cognitie: Een parapluterm, waartoe de mentale processen
gerekend worden die optreden wanneer mensen waarnemen,
informatie verwerken, leren, denken en problemen oplossen.
Ontwikkelingsperspectief: Hoe en wat er geleerd wordt is
afhankelijk van de achtergrondkennis en cognitieve vaardigheden
van de persoon die leert
Verschil tussen ontwikkeling en leren: wisselwerking, leren gaat
over het verwerven van specifieke kennis of vaardigheden door
ervaring, terwijl ontwikkeling slaat op het bredere, langdurige proces
van fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele groei en rijping
Leertheorieën
Vroege psychologie (eind 19e eeuw): Structuralisme en
Functionalisme maakten gebruik van introspectie (naar binnen
kijken en eigen denkprocessen beschrijven), wat wetenschappelijk
gezien te subjectief bleek.
Behaviorisme (begin 20e eeuw): Focus uitsluitend op objectief
observeerbare stimuli en responsen ( S → R ). Interne mentale
processen werden als een 'black box' beschouwd.
o Sociaal Leren theorie: focust op leren door observatie.
o Sociaal-Cognitieve theorie: (Bandura, Miller & Dollard) Een
wisslewerking tussen d epersoon en omgeving. Interpretatie
van geobserveerd leren in termen van cognitieve processen.
Inzien dat mensen hun eigen leren kunnen beheersen.
o Neurologie: onderzoek naar de anatomie van de hersenen en
de functies daarvan.
Vroege cognitieve perspectieven: Belangrijk om denkprocessen
systematisch in kaart te brengen
o Cognitieve Psychologie (vanaf ca. 1960): Onderzoek naar
interne mentale processen zoals geheugen, perceptie,
1
, probleemoplossing en taal (o.a. Piaget, Vygotsky,
Gestaltpsychologie).
o Socioculturele & Contextuele Theorieën: Benadrukken
hoe sociale interactie, cultuur en fysieke/technologische
hulpmiddelen het leren vormgeven.
Cognitieve neurowetenschappen: het bestuderen van
hersenstructuren en neurologische netwerken via moderne
beeldvormingstechnieken om denkprocessen fysiek te verklaren.
Schalen van de MSLQ
De MSLQ brengt de motivatie en leerstrategieën van studenten
in kaart.
Motivatie: Dit onderdeel richt zich op de redenen waarom
studenten een leertaak aangaan en hun verwachtingen over hun
eigen kunnen. Het is onderverdeeld in drie componenten;
o Waardecomponent;
Intrinsieke doeloriëntatie: Deelname aan een taak uit
nieuwsgierigheid, uitdaging of om de stof écht onder de
knie te krijgen. Het leren is een doel op zich.
Extrinsieke doeloriëntatie: Deelname om externe
redenen, zoals cijfers, beloningen, beoordeling door
anderen of competitie. Het leren dient hierbij als middel
om een ander doel te bereiken.
Taakwaarde: De beoordeling van de student over hoe
interessant, belangrijk en nuttig de taak of het
cursusmateriaal is. Een hoge taakwaarde vergroot de
betrokkenheid bij het leren.
o Verwachtingscomponent;
Controle over het leerproces: De overtuiging dat
leerresultaten afhangen van de eigen inzet (intern) en
niet uitsluitend van externe factoren (zoals de docent).
Studenten die dit geloven, studeren doorgaans
strategischer en effectiever.
Zelfeffectiviteit voor leren en presteren: Bestaat uit
twee delen:
- Verwachting van succes: Verwachtingen rondom
de specifieke prestatie op de taak.
- Zelfeffectiviteit: Het vertrouwen van de student in
de eigen vaardigheden en capaciteiten om de af te
ronden.
o Affectieve component;
Toetsangst: Heeft een negatieve invloed op
academische prestaties en bestaat uit:
2
, - Bezorgdheid (cognitief): Negatieve en storende
gedachten over prestaties (grootste oorzaak v
prestatievermindering).
- Emotionaliteit (fysiologisch/affectief): Fysieke en
emotionele spanningsreacties.
Leerstrategieën: meet de cognitieve, metacognitieve en
praktische strategieën die studenten inzetten tijdens het studeren.
o Cognitieve en Metacognitieve strategieën;
Herhaling: Het opnoemen of herhalen van te leren
items. Vooral geschikt voor eenvoudige taken en het
activeren van werkgeheugen, maar draagt nauwelijks bij
aan integratie met voorkennis of opslag in het
langetermijngeheugen.
Elaboratie: Helpt bij opslag in het
langetermijngeheugen door nieuwe informatie te
koppelen aan voorkennis en interne verbanden te
leggen. Denk aan parafraseren, samenvatten,
analogieën bedenken en actief aantekeningen maken.
Organisatie: Actieve selectie en structurering van
leerstof. Voorbeelden zijn clusteren, schema's of outlines
maken en hoofdgedachten selecteren.
Kritisch denken: Het toepassen van eerder opgedane
kennis op nieuwe situaties om problemen op te lossen,
beslissingen te nemen of kritische evaluaties te maken.
Metacognitieve zelfregulatie: De controle over en
sturing van de eigen cognitie. Dit omvat drie stappen:
- Plannen: Doelen stellen en taakanalyse.
- Monitoren: Aandacht bewaken, zelftoetsing en
vragen stellen tijdens het leren.
- Reguleren: corrigeren van eigen leergedrag en
denkproces.
o Hulpbronnenbeheer;
Tijd- en studieomgeving: Het effectief plannen van
studietijd (korte én lange termijn) en het inrichten van
een rustige, georganiseerde leeromgeving zonder
afleidingen.
Inspanningsregulatie: Het vermogen om door te
zetten en aandacht vast te houden bij moeilijke, saaie of
afleidende taken; cruciaal voor succesvol studeren.
Vormen van leeronderzoek
Fundamenteel vs. Praktijkgericht onderzoek (Basic vs.
Applied):
3
, o Fundamenteel onderzoek: bestudeert specifieke
leerprocessen onder strikt gecontroleerde labomstandigheden.
o Praktijkgericht onderzoek: onderzoekt hoe mensen leren in
reële contexten, zoals klaslokalen.
Kwantitatief vs. Kwalitatief:
o Kwantitatief: Onderzoekers verzamelen meetbare data
(toetsscores, reactietijden)
o Kwalitatief: beschrijvingen (gespreksanalyses, observaties
van complexe taken).
College 2: Behaviorisme
Het Behaviorisme
Focus op waarneembaar gedrag: Leren wordt bestudeerd via
objectief waarneembare prikkels (stimuli, S) en reacties (responsen,
R) = S-R psychology. Interne mentale processen (de "black box")
worden traditioneel buiten beschouwing gelaten.
Determinisme en omgeving: Gedrag is grotendeels het resultaat
van eerdere ervaringen en omgevingsinvloeden (het tabula rasa-
principe).
Behavioristische termen;
o Equipotentiality: leren mensen en dieren grofweg hetzelfde
o Parsimony: de simpelste theorie is de beste
o Actieve responsen: Leren is effectiever wanneer leerlingen
actief reageren en oefenen in plaats van passief luisteren.
o Gedragsmatige lesdoelen (Behavioral Objectives):
Doelen moeten geformuleerd worden in meetbaar en
observeerbaar gedrag, inclusief condities en succescriteria.
o Geprogrammeerde instructie (Skinner): Leerstof
opgedeeld in kleine, logische stapjes (frames). De leerling
reageert steeds actief en krijgt directe feedback
(bekrachtiging) voor het juiste antwoord, vaak lineair of via
vertakkende software (CAI).
o Beheersingsleren (Mastery Learning & Keller-plan /
PSI): Leerstof wordt opgeknipt in opeenvolgende eenheden.
Een leerling mag pas door naar de volgende eenheid als de
huidige stof op hoog niveau (bijv. 80-90%) wordt beheerst. Dit
combineert individueel tempo, frequente zelftoetsen en extra
hulp voor wie dat nodig heeft.
Klassieke Conditionering (Pavlov & Watson)
Bij klassieke conditionering leert een organisme een verband te
leggen tussen twee stimuli, wat leidt tot een onvrijwillige reactie:
4
Belangrijk definities
Leren: een langdurige verandering in mentale representaties of
associaties als gevolg van ervaring.
o Deze definitie bevat drie kerncomponenten:
1. Langdurig: Korte, tijdelijke veranderingen (zoals het
onthouden van een telefoonnummer voor enkele
seconden) vallen hier niet onder.
2. Mentale representaties/associaties: Het betreft
interne structuren in het brein.
3. Ervaring: Veranderingen door biologische rijping,
vermoeidheid, alcohol/drugs of ziekte zijn geen leren.
Cognitie: Een parapluterm, waartoe de mentale processen
gerekend worden die optreden wanneer mensen waarnemen,
informatie verwerken, leren, denken en problemen oplossen.
Ontwikkelingsperspectief: Hoe en wat er geleerd wordt is
afhankelijk van de achtergrondkennis en cognitieve vaardigheden
van de persoon die leert
Verschil tussen ontwikkeling en leren: wisselwerking, leren gaat
over het verwerven van specifieke kennis of vaardigheden door
ervaring, terwijl ontwikkeling slaat op het bredere, langdurige proces
van fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele groei en rijping
Leertheorieën
Vroege psychologie (eind 19e eeuw): Structuralisme en
Functionalisme maakten gebruik van introspectie (naar binnen
kijken en eigen denkprocessen beschrijven), wat wetenschappelijk
gezien te subjectief bleek.
Behaviorisme (begin 20e eeuw): Focus uitsluitend op objectief
observeerbare stimuli en responsen ( S → R ). Interne mentale
processen werden als een 'black box' beschouwd.
o Sociaal Leren theorie: focust op leren door observatie.
o Sociaal-Cognitieve theorie: (Bandura, Miller & Dollard) Een
wisslewerking tussen d epersoon en omgeving. Interpretatie
van geobserveerd leren in termen van cognitieve processen.
Inzien dat mensen hun eigen leren kunnen beheersen.
o Neurologie: onderzoek naar de anatomie van de hersenen en
de functies daarvan.
Vroege cognitieve perspectieven: Belangrijk om denkprocessen
systematisch in kaart te brengen
o Cognitieve Psychologie (vanaf ca. 1960): Onderzoek naar
interne mentale processen zoals geheugen, perceptie,
1
, probleemoplossing en taal (o.a. Piaget, Vygotsky,
Gestaltpsychologie).
o Socioculturele & Contextuele Theorieën: Benadrukken
hoe sociale interactie, cultuur en fysieke/technologische
hulpmiddelen het leren vormgeven.
Cognitieve neurowetenschappen: het bestuderen van
hersenstructuren en neurologische netwerken via moderne
beeldvormingstechnieken om denkprocessen fysiek te verklaren.
Schalen van de MSLQ
De MSLQ brengt de motivatie en leerstrategieën van studenten
in kaart.
Motivatie: Dit onderdeel richt zich op de redenen waarom
studenten een leertaak aangaan en hun verwachtingen over hun
eigen kunnen. Het is onderverdeeld in drie componenten;
o Waardecomponent;
Intrinsieke doeloriëntatie: Deelname aan een taak uit
nieuwsgierigheid, uitdaging of om de stof écht onder de
knie te krijgen. Het leren is een doel op zich.
Extrinsieke doeloriëntatie: Deelname om externe
redenen, zoals cijfers, beloningen, beoordeling door
anderen of competitie. Het leren dient hierbij als middel
om een ander doel te bereiken.
Taakwaarde: De beoordeling van de student over hoe
interessant, belangrijk en nuttig de taak of het
cursusmateriaal is. Een hoge taakwaarde vergroot de
betrokkenheid bij het leren.
o Verwachtingscomponent;
Controle over het leerproces: De overtuiging dat
leerresultaten afhangen van de eigen inzet (intern) en
niet uitsluitend van externe factoren (zoals de docent).
Studenten die dit geloven, studeren doorgaans
strategischer en effectiever.
Zelfeffectiviteit voor leren en presteren: Bestaat uit
twee delen:
- Verwachting van succes: Verwachtingen rondom
de specifieke prestatie op de taak.
- Zelfeffectiviteit: Het vertrouwen van de student in
de eigen vaardigheden en capaciteiten om de af te
ronden.
o Affectieve component;
Toetsangst: Heeft een negatieve invloed op
academische prestaties en bestaat uit:
2
, - Bezorgdheid (cognitief): Negatieve en storende
gedachten over prestaties (grootste oorzaak v
prestatievermindering).
- Emotionaliteit (fysiologisch/affectief): Fysieke en
emotionele spanningsreacties.
Leerstrategieën: meet de cognitieve, metacognitieve en
praktische strategieën die studenten inzetten tijdens het studeren.
o Cognitieve en Metacognitieve strategieën;
Herhaling: Het opnoemen of herhalen van te leren
items. Vooral geschikt voor eenvoudige taken en het
activeren van werkgeheugen, maar draagt nauwelijks bij
aan integratie met voorkennis of opslag in het
langetermijngeheugen.
Elaboratie: Helpt bij opslag in het
langetermijngeheugen door nieuwe informatie te
koppelen aan voorkennis en interne verbanden te
leggen. Denk aan parafraseren, samenvatten,
analogieën bedenken en actief aantekeningen maken.
Organisatie: Actieve selectie en structurering van
leerstof. Voorbeelden zijn clusteren, schema's of outlines
maken en hoofdgedachten selecteren.
Kritisch denken: Het toepassen van eerder opgedane
kennis op nieuwe situaties om problemen op te lossen,
beslissingen te nemen of kritische evaluaties te maken.
Metacognitieve zelfregulatie: De controle over en
sturing van de eigen cognitie. Dit omvat drie stappen:
- Plannen: Doelen stellen en taakanalyse.
- Monitoren: Aandacht bewaken, zelftoetsing en
vragen stellen tijdens het leren.
- Reguleren: corrigeren van eigen leergedrag en
denkproces.
o Hulpbronnenbeheer;
Tijd- en studieomgeving: Het effectief plannen van
studietijd (korte én lange termijn) en het inrichten van
een rustige, georganiseerde leeromgeving zonder
afleidingen.
Inspanningsregulatie: Het vermogen om door te
zetten en aandacht vast te houden bij moeilijke, saaie of
afleidende taken; cruciaal voor succesvol studeren.
Vormen van leeronderzoek
Fundamenteel vs. Praktijkgericht onderzoek (Basic vs.
Applied):
3
, o Fundamenteel onderzoek: bestudeert specifieke
leerprocessen onder strikt gecontroleerde labomstandigheden.
o Praktijkgericht onderzoek: onderzoekt hoe mensen leren in
reële contexten, zoals klaslokalen.
Kwantitatief vs. Kwalitatief:
o Kwantitatief: Onderzoekers verzamelen meetbare data
(toetsscores, reactietijden)
o Kwalitatief: beschrijvingen (gespreksanalyses, observaties
van complexe taken).
College 2: Behaviorisme
Het Behaviorisme
Focus op waarneembaar gedrag: Leren wordt bestudeerd via
objectief waarneembare prikkels (stimuli, S) en reacties (responsen,
R) = S-R psychology. Interne mentale processen (de "black box")
worden traditioneel buiten beschouwing gelaten.
Determinisme en omgeving: Gedrag is grotendeels het resultaat
van eerdere ervaringen en omgevingsinvloeden (het tabula rasa-
principe).
Behavioristische termen;
o Equipotentiality: leren mensen en dieren grofweg hetzelfde
o Parsimony: de simpelste theorie is de beste
o Actieve responsen: Leren is effectiever wanneer leerlingen
actief reageren en oefenen in plaats van passief luisteren.
o Gedragsmatige lesdoelen (Behavioral Objectives):
Doelen moeten geformuleerd worden in meetbaar en
observeerbaar gedrag, inclusief condities en succescriteria.
o Geprogrammeerde instructie (Skinner): Leerstof
opgedeeld in kleine, logische stapjes (frames). De leerling
reageert steeds actief en krijgt directe feedback
(bekrachtiging) voor het juiste antwoord, vaak lineair of via
vertakkende software (CAI).
o Beheersingsleren (Mastery Learning & Keller-plan /
PSI): Leerstof wordt opgeknipt in opeenvolgende eenheden.
Een leerling mag pas door naar de volgende eenheid als de
huidige stof op hoog niveau (bijv. 80-90%) wordt beheerst. Dit
combineert individueel tempo, frequente zelftoetsen en extra
hulp voor wie dat nodig heeft.
Klassieke Conditionering (Pavlov & Watson)
Bij klassieke conditionering leert een organisme een verband te
leggen tussen twee stimuli, wat leidt tot een onvrijwillige reactie:
4