Inleiding wetenschappelijk
onderzoek
Hoorcollege 1
04-09-2024
Brightspace Inleiding wetenschappelijk onderzoek Content
Mogelijke rollen van een scientist practitioner;
-Intuïtief practicus
-Reflectief practicus
-Practicus onderzoeker
-Evidence based practicus
-Klinisch wetenschapper
1) Intuïtief = geheel op vertrouwen op eigen ervaring
2) Reflectief = balans tussen interne en externe oriëntatie (scientist practitioner)
3) Mechanistisch = geheel vertrouwen op techniek
Missie: wetenschappelijk
Probleem/vraag Antwoord (kennis)
Wetenschappelijke cyclus;
1) Observatie
2) Inductie / theorie
3) Deductie
4) Toetsen
5) Evaluatie
Inductie : Wellicht helpt het luisteren van muziek mij tijdens het studeren. Je stelt een hypothese
Deductie : Je kunt een onderzoek uitvoeren, je onderzoekt of je hypothese klopt.
Noodzaak methodologisch werken
De leer van de te zetten stapjes. Je slaat geen 6 stappen over maar denkt continu na over wat je
aan het doen bent. Dit heet ook wel de onderzoekcyclus / empirische cyclus.
Regulatieve cyclus (diagnostiek)
Theoretische cyclus (literatuur)
PDV = Probleem, doelstelling, vraagstelling.
1e fase conceptualiseren, de inperking.
-Probleemstelling
-Doelstelling
-Vraagstelling
, Theoretische aantekeningen; inleiding wetenschappelijk onderzoek
2e fase inrichten, de concretisering.
-De onderzoeksopzet. Wie? Wat? Wanneer? Hoe?
3e fase uitvoeren, verbreding.
-Dataverzameling
-Dataverwerking
-Rapportage (terugkoppelen aan de probleemstelling)
In de praktijk, de 5 B’S. Factoren waar je rekening mee houdt tijdens het uitvoeren van een
onderzoek.
1) Belang voordeel
2) Bereidheid willen
3) Bekwaamheid kunnen
4) Beschikbaarheid hebben
5) Benutting verandering
Hoorcollege 2; conceptualiseren
13-09-2024
Conceptualiseren;
o Probleemstelling
o Doelstelling
o Vraagstelling
Probleemstelling;
Probleemstelling; het vaststellen van een probleem.
Discrepantie tussen feitelijkheid en wenselijkheid:
Voorbeelden:
1) Gedurende de studie ervaart 75% van de studenten een zekere mate van stress (feitelijk)
2) We streven naar een studieklimaat waarin 30% van de studenten een zekere mate van stress
ervaart (wenselijkheid)
Probleemstelling: Het percentage studenten dat stress ervaart tijdens de studie is zorgelijk.
De context is bepalend om te bepalen of iets te maken heeft met feitelijkheid of met wenselijkheid.
Praktische problemen vs theoretische problemen
1) Het percentage studenten dat stress ervaart tijdens de studie is zorgelijk (praktijk gestuurd
onderzoek)
2) Het is onduidelijk welk theoretisch model het stressniveau van studenten het beste voorspelt
(theorie gestuurd onderzoek / fundamenteel onderzoek)
Doelstelling;
Doelstelling in een onderzoek: Het beoogd resultaat.
Voorbeeld; onderzoek naar stress
- Aard en ernst van de stressklachten onder studenten vast stellen
, Theoretische aantekeningen; inleiding wetenschappelijk onderzoek
Doelstelling van een onderzoek: De beoogde benutting
Voorbeeld; onderzoek naar stress
- Risicogroepen signaleren
Type benutting Gericht op Leidt tot
Instrumentele benutting Beoordeling Stoppen of doorgaan
Verbetering Verbeteracties
Conceptuele benutting Kennisvermeerdering Verandering in denken
Vraagstelling;
1) Descriptieve vragen (beschrijvende vragen)
Onderzoeksvragen naar een feitelijke beschrijving van de werkelijkheid
-Hoeveel mensen roken?
-Hoeveel mensen leiden aan hart- en vaatziekten?
2) Normatieve vragen
Onderzoeksvragen waaraan een waardeoordeel ten grondslag ligt
-Is het social mediagebruik onder studenten problematisch?
Om deze vragen te beantwoorden moet je eerst een norm creëren.
3) Correlationele vragen (correlatieve vragen)
Onderzoeksvragen naar samenhang, verbanden en/of relaties.
-Hangt prestatiedruk samen met stress
-Zijn studenten met een gezonde leefstijl tevredener met hun lichaam dan studenten met
een ongezonde leefstijl?
4) Impactvragen:
Onderzoeksvragen naar causale verbanden
-Is de verwachting van ouders over studieprestaties van invloed op prestatiedruk?
Het belang van een theoretisch kader:
Het probleem, het doel en de vraagstelling dienen in een theoretisch kader geplaatst te worden.
Dankzij een theoretisch kader worden herkomst en uitkomst van het onderzoek helder.
1) Herkomst: Wat heeft dit type onderzoek tot dusver opgeleverd? Waar liggen lacunes?
2) Uitkomst: theoretisch kader geeft richting aan het opstellen van een hypothese
Het conceptuele model:
Conceptuele model: schematische weergave van de relevante kernconcepten (variabelen) en de
verwachte onderlinge relaties tussen die kernconcepten (hypothese)
Variabelen:
Variabele: een kenmerk dat een onderzoekselement al of niet, of in meer of mindere mate bezit.
Een onderzoekselement is diegene op wie het kenmerk betrekking heeft
-Individuen
-Paren