Hoofdstuk 1 De kennisbasis Nederlandse taal
Voor leraren basisonderwijs is het ook noodzakelijk om over de nodige kennis te
beschikken om kinderen goed voor te bereiden op de kenniseconomie. Daarom is
in 2009 besloten om voor verschillende vakken op de pabo een kennisbasis in te
voeren.
In de kennisbasis Nederlandse taal voor de pabo wordt beschreven wat een
leerkracht basisonderwijs moet weten om goed taalonderwijs te kunnen geven op
de basisschool. De leerstof is verdeeld over de volgende negen domeinen:
1. Mondelinge taalvaardigheid;
2. Woordenschat;
3. Beginnende geletterdheid;
4. Voortgezet technisch lezen;
5. Begrijpend lezen;
6. Stellen;
7. Jeugdliteratuur;
8. Taalbeschouwing;
9. Spelling.
Per domein zijn de belangrijkste kenniselementen beschreven aan de hand van
vier invalshoeken:
De leerinhoud: wordt beschreven wat de leerling moet weten en kunnen in een
bepaald domein.
De domeindidactiek: de manier waarop je de leerinhoud van een bepaald domein
aan kinderen onderwijst.
Het fundament: bij elk domein heb je achtergrondkennis nodig, het fundament.
Taaldidactiek en taalbeleid: verschillende manieren waarop je taalonderwijs kunt
geven of hoe je als basisschool beleid kunt ontwikkelen op het gebied van taal.
Hoofdstuk 2 Taalonderwijs en taal
Vijf argumenten om apart onderwijs te geven in taal:
1. Schriftelijke taalvaardigheid leren kinderen niet spontaan.
2. Niet alle kinderen kunnen zich zelfstandig een bepaald niveau van
taalvaardigheid eigen maken.
3. Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven.
4. Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van taalonderwijs.
5. Als je kinderen plezier in het lezen van boeken wilt bijbrengen, dan moet je
daar apart aandacht aan besteden. Niet alle kinderen groeien immers thuis
op in een omgeving met boeken.
Lesgeven met behulp van een methode noemen we ook wel traditioneel
taalonderwijs.
Binnen het taalonderwijs is het gebruikelijk om de leerstof op te splitsen in
verschillende gebieden of domeinen. In de Wet op het primair onderwijs zijn voor
het taalonderwijs kerndoelen opgenomen. Hierin wordt voor het taalonderwijs de
volgende onderverdeling gehanteerd:
- Mondeling onderwijs
- Schriftelijk onderwijs
- Taalbeschouwing, waaronder strategieën
Wat je in de kleutergroepen doet aan de schriftelijke taalontwikkeling valt onder
het begrip beginnende geletterdheid.
,Mondelinge taalvaardigheid
Het spreken en luisteren en het voeren van allerlei mondelinge gespreksvormen
staat centraal. Het gaat erom dat leerlingen ervaring opdoen met bepaalde
mondelinge taalvormen.
Woordenschat
Het aanleren (receptief en productief) van de betekenis van nieuwe woorden,
uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden. Ook leren de leerlingen strategieën
om achter de betekenis van onbekende woorden te komen.
Beginnende geletterdheid
Het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en te gebruiken (geletterdheid).
Er worden drie stadia onderscheiden: ontluikende geletterdheid (0-4),
beginnende geletterdheid (groep 1-3) en gevorderde geletterdheid (vanaf groep
3).
Aanvankelijk lezen: kinderen de beginselen van het leren lezen bijbrengen (groep
3).
Voortgezet lezen: vanaf groep 3.
Voortgezet technisch lezen
Bij technisch lezen gaat het om het kunnen ontcijferen van de letters en het
hardop lezen van woorden, maar er wordt ook aandacht besteed aan efficiënte
leesstrategieën. Het doel is om het decoderen van teksten te vergroten.
Begrijpend lezen
Hierbij gaat het om het begrijpen van de tekst, het achterhalen van de bedoeling.
Stellen
Hierbij gaat het om het schrijven van teksten. Kinderen moeten hun gedachten,
ervaringen en waarnemingen kunnen weergeven in de vorm van verschillende
soorten teksten.
Jeugdliteratuur
Onderwijs in jeugdliteratuur heeft tot doel de kinderen in aanraking te brengen
met verschillende literaire genres, hun literaire smaak te ontwikkelen en ze te
laten genieten van het lezen van jeugdboeken.
Taalbeschouwing
Hierbij wil je leerlingen leren reflecteren op de taalvorm, de manier waarop iets is
verwoord en het gebruik van taal. Het gaat erom dat kinderen in de vorm van de
taal bijzonderheden en regelmatigheden ontdekken. Een belangrijk onderdeel
van taalbeschouwing is traditionele grammatica, waarbij kinderen zinnen
moeten ontleden in zinsdelen en de verschillende soorten kunnen benoemen.
Spelling
Hierbij gaat het erom dat leerlingen de meest voorkomende woorden correct
kunnen schrijven en de belangrijkste spellingsregels kunnen toepassen.
Taal is communicatie. We gebruiken de taal om ideeën, ervaringen en meningen
over te brengen, om onze gedachten te ordenen of om onze gevoelens te uiten.
Taal speelt een grote rol in het dagelijks leven. We praten, lezen, redeneren,
discussiëren, appen, mailen en communiceren wat af.
, Taal heeft verschillende functies voor mensen:
- De communicatieve of sociale taalfunctie: we gebruiken de taal als
communicatiemiddel: de weg vragen, iemand groeten of onze mening
geven. We spreken ook wel van de sociale functie van taal. We kennen de
volgende sociale taalfuncties:
Zelfhandhaving: opkomen voor jezelf, jezelf beschermen en
verdedigen.
Zelfsturing: het ordenen van je handelen en aankondigen van je
plannen.
Sturing van anderen: je kunt taal gebruiken om je eigen handelen te
sturen, maar ook om het gedrag van anderen te beïnvloeden.
Structurering van het gesprek: je gebruikt de taal om het
gespreksverloop te beïnvloeden.
- De conceptualiserende of cognitieve functie: je gebruikt de taal als
hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep te krijgen op de
werkelijkheid. We noemen deze functie ook wel de cognitieve functie van
taal, omdat je met behulp van de taal verwijst naar betekenissen en
concepten uit de werkelijkheid. Je gebruikt de taal om de werkelijkheid om
je heen te ordenen. We kennen de volgende cognitieve taalfuncties:
Rapporteren: verslag doen van iets dat in de werkelijkheid
voorkomt.
Redeneren: een gebeurtenis bewerken door een extra denkstap in
te voegen: chronologisch ordenen, conclusies trekken, oorzaak-
gevolgrelaties.
Projecteren: je probeert je te verplaatsen in de gedachten en
gevoelens van een ander.
- De expressieve taalfunctie: mensen gebruiken taal ook om te
experimenteren, om hun gevoelens te uiten, om iets te zeggen wat
anderen nog niet eerder zo hebben gezegd. We gebruiken de taal om ons
van anderen te onderscheiden of om uitdrukking te geven aan persoonlijke
emoties: de taal wordt gebruikt als expressiemiddel.
Communicatieve competentie: het vermogen om de communicatieve
functie van taal te gebruiken. Of je de communicatieve competentie goed
kunt gebruiken hangt af van je kennis van het taalsysteem en de taalregels,
maar het heeft ook te maken met de vaardigheid om een gesprek te voeren
en daarbij efficiënte strategieën te gebruiken. De communicatieve
competentie wordt wel onderverdeeld in de volgende deelcompetenties:
- De grammaticale competentie (linguïstische competentie): niet
alleen het kennen van de grammaticale regels, maar ook de
woordenschat, het correct vervoegen of verbuigen van woorden en de
kennis van de correcte uitspraak van woorden. Het omvat alle kennis van
de taal en de taalregels die nodig zijn om adequaat te kunnen
communiceren.
- De tekstuele competentie: hierbij gaat het om de kennis van gesproken
en geschreven teksten.
- De strategische competentie: het vermogen van een taalgebruiker om
strategieën te hanteren om zo bepaalde doelen te bereiken.
- De functionele competentie: het vermogen van een taalgebruiker om
zijn taalgebruik aan te passen aan een specifieke situatie.
De laatste twee competenties worden ook wel de pragmatische competenties
genoemd, omdat ze betrekking hebben op de praktijk en het concrete gebruik
van de taal.