Zenuwstelsel, Bewegingsapparaat
Samenvatting
,Leerdoelen
12 Spijsvertering
De onderdelen van het spijsverteringsstelsel lokaliseren
01
• De fysiologie uitleggen van de:
a) Afbraak en vertering
02
b) Resorptie door de darmen
c) Transport en defecatie
Verwerking door de lever
Beschrijven wat de volgende ziektebeelden zijn:
a) Peptische zweren
b) Ileus
03 c) Prikkelbaar darmsyndroom
d) Hepatitis
e) Icterus
f) Cholecystitis
g) Pancreatitis
• De spijsvertering beoordelen en bewaken
• De veelvoorkomende symptomen en belang diagnostiek bij aandoeningen van het spijsverteringsstelsel
beschrijven.
• De risicofactoren, etiologie, pathofysiologie, symptomen, diagnostiek, behandeling, prognose,
preventie en verpleegkundige aandachtspunten beschrijven bij:
04
a) Slikstoornissen
b) Gastro-oesofageale reflux
c) Gastritis
d) Inflammatoire darmziekten
e) Levercirrose
f) Galstenen
13 Vocht & elektrolyten
05 De samenstelling van bloedplasma, weefselvloeistof en intracellulair vocht beschrijven
06 De vochtverdeling en uitwisseling tussen de verschillende compartimenten toelichten
07 De functie, bouw en werking van de nieren en urinewegen beschrijven
08 De controle over urinelozing uitleggen (aandrang en (in)continentie)
• Diurese, urine en balans van water en elektrolyten observeren en beoordelen
• De veelvoorkomende symptomen en belang diagnostiek bij aandoeningen van het urinewegstelsel
beschrijven
09 • De risicofactoren, etiologie, pathofysiologie, symptomen, diagnostiek, behandeling, prognose,
preventie en verpleegkundige aandachtspunten beschrijven bij:
a) Urineweginfecties
b) Urine-incontinentie
c) Nierinsufficiëntie
18 Zenuwstelsel
Drie vliezen rond hersenen en ruggenmerg onderscheiden
10
• Liquorfuncties benoemen en liquorcirculatie beschrijven
Beschrijven hoe de hersenen adequaat worden voorzien van bloed
• De onderstaande onderdelen van het zenuwstelsel lokaliseren en (globaal) de functie ervan uitleggen:
11 a) Schorsvelden (cortexen)
b) Thalamus en hypothalamus
c) Basale kernen en cerebellum
, d) Onderdelen van hersenstam
Onderdelen van het ruggenmerg
12 • Verschillende typen neuronen en gliacellen onderscheiden
Onderdelen van een neuron aangeven en relateren aan grijze en witte stof
• Beschrijven hoe impulsgeleiding plaatsvindt
13 • Onderdelen van synapsen benoemen en de prikkeloverdracht tussen neuronen uitleggen
Verstoringen of onderbrekingen van de prikkelgeleiding en prikkeloverdracht verklaren en relateren aan de
beroepspraktijk
14 • Een reflexboog beschrijven en relevante reflexen beoordelen
De willekeurige motoriek relateren aan delen van de cortex cerebri
15 • De werking van het autonome/vegetatieve zenuwstelsel uitleggen
Sympathische en parasympatische effecten onderscheiden
• De veelvoorkomende symptomen en belang diagnostiek bij aandoeningen van het zenuwstelsel
beschrijven
• De risicofactoren, etiologie, pathofysiologie, symptomen, diagnostiek, behandeling, prognose,
16 preventie en verpleegkundige aandachtspunten beschrijven bij:
a) TIA
b) CVA
c) MS
d) Parkinson
11 Bewegingsapparaat
17 • De botten van het skelet benoemen (figuur 15.1)
Pijpbeenderen, platte botten en onregelmatige beenderen onderscheiden
18 • De opbouw en afbraak van botweefsel beschrijven en beïnvloedende factoren toelichten
De mobiliteit en stabiliteit van de verschillende botverbindingen beschrijven
19 Het principe van spierwerking bij bewegingen uitleggen
• Beschrijven wat de volgende ziektebeelden/termen zijn:
a) Neuromusculaire ziekten
20
b) Myopathie
c) Spierdystrofie: bij Duchenne of bij immobilisatie
• Letsel aan het bewegingsapparaat observeren en beoordelen
• De veelvoorkomende symptomen en belang diagnostiek bij aandoeningen van het bewegingsstelsel
beschrijven.
• De risicofactoren, etiologie, pathofysiologie, symptomen, diagnostiek, behandeling, prognose,
21 preventie en verpleegkundige aandachtspunten beschrijven bij:
a) Osteoporose
b) Fracturen (heupfractuur)
c) Artrose
d) Atritis
, Inhoudsopgave
Voeding.............................................................................................................................. 7
Koolhydraten ............................................................................................................................... 7
Vetten ......................................................................................................................................... 7
Eiwitten ....................................................................................................................................... 7
Vitaminen .................................................................................................................................... 8
Mineralen .................................................................................................................................... 8
Spijsvertering ..................................................................................................................... 9
Spijsverteringsorganen ................................................................................................................ 9
Mond ............................................................................................................................................................. 10
Farynx en oesophagus ................................................................................................................................... 10
Maag ............................................................................................................................................................. 10
Lever .............................................................................................................................................................. 10
Galblaas ......................................................................................................................................................... 11
Pancreas ........................................................................................................................................................ 11
Dunne darm .................................................................................................................................................. 11
Dikke darm .................................................................................................................................................... 11
Afbraak en vertering .................................................................................................................. 11
Voedselbewerking in de mond ................................................................................................... 12
Voedselbewerking in de maag ................................................................................................... 12
Eindvertering ............................................................................................................................. 12
Resorptie ................................................................................................................................... 12
Transport en defecatie ............................................................................................................... 13
Verwerking ................................................................................................................................ 13
Detoxificatie .............................................................................................................................. 13
Vocht en elektrolyten ....................................................................................................... 14
Vochtverdeling .......................................................................................................................... 14
Bloedplasma .............................................................................................................................. 14
Interstitium ............................................................................................................................... 14
Intracellulair .............................................................................................................................. 15
Vocht in beweging ..................................................................................................................... 15
Osmolariteit .............................................................................................................................. 15
Dorst en ADH ............................................................................................................................. 15
Nierfuncties ............................................................................................................................... 15