Segment 1
Agogisch handelen die erin moet staan
Wat maakt dat ik agogisch handel? Constant bezig zijn om andere te helpen met mensen hen gedrag
te veranderen.
Signaleren.. hoe verander ik het gedrag? Wat zie ik iemand doen? Wat hoor ik iemand zeggen?
Specifiek zijn..
Begin met wat is er aan de hand?
Op welke wijze houd ik rekening met de kenmerken van de betrokkenen en hun kwaliteiten en
belemmeringen?
➔ Wat zijn de kenmerken? En wat zijn de belemmeringen? Hoe heb ik gehandeld dat daarbij
aansluit?
Welke groepsdynamische processen en of systeemkenmerken zijn te herkennen?
➔ Dus dat je kan voelen hoe het thuis gaat?
Hoe bevind hij/zij in groepen?
Welke context informatie zijn noodzakelijk voor het begrijpen van de situatie?
➔ Je spreekt iemand als iemand overprikkeld is.. wanneer iets net is gebeurd orthopedagogiek?
Wanneer er een plotselinge verandering is met t bord bijvoorbeeld.. dat het bord niet is veranderd.
Welke rol speelt de context de bevorderende en belemmerende factoren hierbij?
7 bronnen:
● Verplichte literatuur:
○ Oplossingsgericht werken
○ Recht en veiligheid
○ Theorie uit verdiepingsmodule
2 internationale bronnen per segment
Wat wil ik bereiken? Wie of wat wil ik in beweging krijgen hoe wanneer en waarom?
➔ Methodisch handelen.. denk aan de gesprekken met diegene.
Dit is het gesprek vervolgens op het gesprek die we vorige week hebben gehad. Waar zit ik in de
cyclus?
Wie zijn de belanghebbenden?
➔ Ouders, het kind zelf, de mede begeleiders.
Op grond waarvan weet ik wat de gewenste uitkomst is?
➔ Theorie oplossingsgericht werken..
Wat is voor mij de gewenste uitkomst?
1
, Voor wie is het een gewenste uitkomst: voor de betrokkenen of wat volgens de professionals de
gewenste uitkomst is en wie bepaalt dat?
Heeft te maken met:
Hier ga ik dieper op in op de situatie wat ik heb gedaan. Dus op basis van mijn doel etc.
➔ Welke morele aspecten en spanningsvelden spelen in de situatie een rol, welke keuzes zijn
er en welke benadering heeft welk effect?
Welke keuzes maak ik op basis van welke overwegingen, en hoe beoordeel ik het bereikte resultaat?
● Situatie
● Taak
● Actie
● Resultaat
● Reflectie (wat vind ik ervan?)
● Transfer (wat zou ik de volgende keer in de gelijksoortige situatie doen?)
1. Praktijkkennis
2. Ervaringskennis
3. Theoriekennis?
2