1.1 Taal en lezen op school
Taal en leesonderwijs is gebonden aan wettelijk bepaalde doelen. Dat zijn
de kerndoelen primair onderwijs, die de einddoelen van alle
basisschoolvakken omvatten en met enige regelmaat worden herzien.
Referentieniveau 2F is het minimale niveau voor functionele geletterdheid.
Leerlingen die dat niveau niet behalen, noemen we laaggeletterd. Als je
laaggeletterd bent, kun je moeilijk functioneren in een geletterde
samenleving als de onze.
Uit landelijk onderzoek blijkt dat het
percentage leerlingen dat in groep 8 2F
beheerst voor lezen de afgelopen jaren is
gedaald.
Lezen is nog altijd de belangrijkste basis
voor school- en maatschappelijk succes.
Diepgaand lezen is de belangrijkste
voorwaarde voor digitale geletterdheid, het kunnen functioneren in een
digitale maatschappij. Als leerlingen alleen maar multimedia tot zich
nemen, is het taalaanbod dat zij krijgen relatief arm. Lezen is dus nodig en
thuis doen leerlingen dat weinig meer.
1.2 Duurzaam en betekenisvol (taal) leren
Werkelijk leren beperkt zich niet tot het maken van een losse taalles of het
behalen van een testresultaat, maar is het tot stand brengen van rijke
verbindingen in de hersenen die leiden tot duurzame veranderingen in het
lang termijn geheugen.
1. Langetermijngeheugen: ervaringen, kennis en vaardigheden voor
langere tijd.
2. Kortetermijngeheugen: informatie wordt kortdurend vastgehouden.
Leren brengt veranderingen in het langetermijngeheugen tot stand. Dat
wil zeggen dat de kijk van degene die leert op zijn omgeving duurzaam
verandert.
Door duurzaam te leren, vergroot je je ervarings- en taalbasis. Daaronder
verstaan we de ervaringen en kennis die leerlingen thuis en op school
verwerven en de daarmee verbonden taal. Hoe meer ervaringen en
daarmee verbonden kennis en taal in het brein zijn opgeslagen, hoe
gemakkelijker leerlingen nieuwe informatie zullen begrijpen.
,Om duurzaam te kunnen leren, moet leren
betekenisvol zijn voor de leerlingen. Om
duurzame en betekenisvolle (taal)lessen voor te
bereiden, kun je als leraar gebruikmaken van
onderstaande leercirkel (Kolb).
Bij duurzaam leren zijn transfer en verbinding
belangrijk. Dat wat wordt geleerd, is in het
geheugen altijd gekoppeld aan de plek of situatie
waar wordt geleerd. Leren wordt duurzaam
wanneer er sprake is van transfer tussen
taaldomeinen, bijvoorbeeld wanneer vanuit een betekenisvolle
schrijfopdracht aandacht is voor spelling. Een belangrijk element van
duurzaam leren en van transfer en verbinding is het zichtbaar maken
ervan.
1.3 Een visie op taalonderwijs
Als het gaat om leren van taal maken we onderscheid tussen
leerprocessen en ontwikkelingsprocessen. Bij leerprocessen, zoals het
leren decoderen of het leren van de grammaticale regels, gaat het om
expliciete processen waarbij duidelijke instructie nodig is, bijvoorbeeld via
het directe instructiemodel. Bij ontwikkelingsprocessen, zoals het leren
begrijpen van teksten, gaat het om impliciete processen. Daarbij staat
frequent en gemotiveerd oefenen met adequate ondersteuning en
feedback centraal.
Leerprocessen:
Decoderen (de eerste fase van het aanvankelijk lezen)
(Werkwoord)spelling en grammatica
Ontwikkelingsprocessen:
Vloeiend lezen
Lees- en luisterbegrip
Schrijven van teksten
Woordenschat
Spreken en gesprekken voeren
Er zijn wettelijke taaldoelen: de
Kerndoelen en het referentiekader taal
en rekenen. Goed taalonderwijs is
onderwijs waarin sprake is van hoge
verwachtingen. Niet de niveaus staan
centraal, maar de ondersteuning die
, leerlingen krijgen. Uitgedaagd worden en de juiste ondersteuning krijgen,
leidt tot leren.
Wettelijk vastgestelde doelen worden vaak zo uitgewerkt dat ze
gemakkelijker toepasbaar zijn in de klas. Zo zijn de kerndoelen
bijvoorbeeld in kleinere doelen opgedeeld in de tussendoelen beginnende
geletterdheid, de tussendoelen gevorderde geletterdheid en tussendelen
mondelinge communicatie of in tussendoelen en leerlijnen voor alle
domeinen. Zo wordt een beeld gegeven van wat per groep kan worden
geleerd.
Taal- en leesmethodes worden vaak ontwikkeld op basis van leerlijnen. Een
voordeel van het werken met methodes is dat ze houvast geven.
Methodes kennen ook nadelen. In methodes worden vaak
ontwikkelingsprocessen tot leerprocessen gemaakt. Leerlingen oefenen in
taal- en leesmethodes schrijfstrategieën, leesstrategieën of woordenschat
met behulp van minder interessante contexten.
Het is belangrijk dat je je als leraar afvraagt of je voor ieder taaldomein
een methode nodig hebt en dat je kritisch bent als je er één aanschaft.
Om duurzaam taal te kunnen leren, moet sprake zijn van betekenisvol en
sociaal leren.
1.4 De taalleraar
Als leraar speel je een cruciale rol bij het vormgeven van goed taal- en
leesonderwijs. En daarbij hoort dat je zelf leest. Paul van Loon: ‘Want
alleen onderwijzers die zelf van lezen houden, kunnen kinderen liefde voor
boeken bijbrengen. Als dat niet zo is, kunnen ze beter een ander beroep
kiezen.’
Om goed (taal)onderwijs te kunnen geven, is het niet voldoende wanneer
je bij het ontwerpen van lessen nadenkt over doelen, inleiding, kern of
afsluiting, over leeractiviteiten van de leerlingen of over welke materialen
je nodig hebt. Het proces van pedagogisch/didactisch redeneren vormt je
belangrijkste instrumentarium: waarom doe ik wat ik doe? Je gaat na of
jouw onderwijs een basis vormt voor het leggen van rijke verbindingen in
het brein, voor transfer en hoe je leerlingen kunt stimuleren na te denken
over hun leerresultaten en leerprocessen.
Een goede taalleraar voldoet aan de taaleisen die worden gesteld in
referentieniveau 4F.
Hoofdstuk 2
2.1 Problemen en uitdagingen bij taal- en leesonderwijs