Introductie
The Study of Personality
Persoonlijkheid gaat over verschillen tussen mensen in hun typische manieren van
gedragen, denken en voelen. Mensen verschillen dus niet alleen in uiterlijk, maar ook
psychologisch. Die psychologische verschillen zijn belangrijk, omdat ze sterk bepalen hoe
iemand als persoon wordt gezien. Voorbeelden daarvan zijn verschillen in extraversie of
verlegenheid, gevoeligheid of hardheid, creativiteit of conventionaliteit, opvliegendheid of
geduld, oprechtheid of bedrieglijkheid, en rommeligheid of zelfdiscipline.
Die verschillen zijn al vroeg in het leven zichtbaar. Kinderen verschillen bijvoorbeeld in
delen, klikken, competitiegedrag en speelstijl. Ook volwassenen verschillen in hoe streng ze
zijn, hoe oplettend ze zijn en hoe ze reageren in sociale situaties.
Persoonlijkheidsverschillen zijn dus alledaags en voortdurend waarneembaar.
Belangrijke vragen binnen de persoonlijkheidspsychologie zijn: waarom hebben mensen
zulke verschillende persoonlijkheden, waarin lijken mensen op elkaar en waarin verschillen
ze, en welke invloed heeft persoonlijkheid op relaties, werk, gezondheid en andere
levensuitkomsten.
Interesse in persoonlijkheid bestaat al heel lang. In het oude Griekenland werd al nagedacht
over verschillen tussen mensen. Theophrastus beschreef verschillende
karaktereigenschappen. Hippocrates en Galen koppelden persoonlijkheidsverschillen aan
lichaamsvloeistoffen. Een echt systematische en wetenschappelijke studie van
persoonlijkheid kwam echter pas veel later op gang: eerst in de late negentiende eeuw,
daarna met verdere ontwikkeling in de twintigste eeuw, en vervolgens met een sterke
toename van onderzoek in de eenentwintigste eeuw.
The Universal, the Unique, and the In Between
Er zijn drie brede manieren om menselijk gedrag psychologisch te bestuderen.
De eerste manier richt zich op het universele: eigenschappen en reacties die mensen in het
algemeen met elkaar delen. Het gaat dan om omstandigheden waarin bijna iedereen
ongeveer hetzelfde reageert, zoals zich aanpassen aan groepsnormen, helpen,
terugvechten, gehechtheid voelen, zich verzetten tegen autoriteit of seksuele aantrekking
ervaren.
De tweede manier richt zich op het unieke: de heel specifieke combinatie van
eigenschappen, ervaringen en neigingen die één individu anders maakt dan ieder ander.
Iemand kan bijvoorbeeld sterk gericht zijn op schoolprestaties, onafhankelijkheid en muziek,
terwijl een ander meer gericht is op uiterlijk, harmonie in de familie en buitenactiviteiten. Hier
draait het om het heel specifieke profiel van één persoon.
De derde manier zit daar tussenin en richt zich op de manieren waarop mensen op sommige
mensen lijken en van andere verschillen. Het gaat dan om trekken of kenmerken waarop
mensen systematisch variëren. Vragen daarbij zijn bijvoorbeeld: hoe meet je eerlijkheid of
creativiteit, waarom verschillen mensen in impulsiviteit of angstigheid, en wat zijn de
,gevolgen van verschillen in vrolijkheid, koppigheid of andere trekken voor relaties, werk en
gezondheid. Dit is het centrale domein van de persoonlijkheidspsychologie in dit boek.
Idiographic Versus Nomothetic Approaches
De idiografische benadering bestudeert één persoon diepgaand. Daarbij wordt geprobeerd
de unieke persoonlijkheid van één individu te begrijpen, bijvoorbeeld via interviews,
observaties, levensgeschiedenis en informatie van familie en vrienden. Zo kan duidelijk
worden welke kenmerken voor die persoon het meest opvallend zijn en welke ervaringen
mogelijk een rol hebben gespeeld in het ontstaan daarvan.
Deze aanpak geeft rijke en gedetailleerde inzichten in één individu. Daardoor is ze heel
geschikt om het bijzondere en onderscheidende van iemands persoonlijkheid te beschrijven.
Dat maakt ook biografieën, casussen en karakterbeschrijvingen zo interessant.
Tegelijk heeft deze aanpak duidelijke beperkingen. Ze is tijdrovend en inefficiënt, waardoor
kennis gebaseerd blijft op weinig gevallen. Ook leer je per persoon vaak maar iets over een
klein deel van persoonlijkheid. Daarnaast kun je met deze aanpak geen algemene
wetmatigheden vaststellen. Als bij één persoon een strenge opvoeding samen lijkt te hangen
met verantwoordelijk gedrag of angst voor afkeuring, weet je nog niet of dat patroon ook
breder geldt. Daarvoor moet je veel mensen vergelijken. Dus het geeft interessante
inzichten, maar je kan niet vertellen of het ook daadwerkelijk waar is.
De nomothetische benadering richt zich juist op het meten van kenmerken bij veel mensen,
om daarna te onderzoeken hoe die kenmerken samenhangen. Daarmee kunnen algemene
regels of wetmatigheden over persoonlijkheid worden gevonden. Zo kun je bijvoorbeeld
nagaan of verantwoordelijkheid gemiddeld samenhangt met angst voor afkeuring, of
opvoedingsstijl samenhangt met bepaalde persoonlijkheidstrekken, of trekken gevolgen
hebben voor werkprestaties, gezondheid of relaties.
Deze benadering is wetenschappelijk sterker voor het ontdekken van algemene patronen.
Door veel mensen op dezelfde kenmerken te meten, wordt zichtbaar welke relaties echt
bestaan en welke niet. Tegelijk kan deze aanpak ook veel over individuen zeggen, omdat
een combinatie van meerdere trekmetingen een zeer informatief en bijna uniek
persoonlijkheidsprofiel oplevert
,Hoofdstuk 1: Basic Concepts in Psychological Measurement
1.1 Some Simple Statistical Ideas
1.1.1 Levels of Measurement
Psychologische kenmerken zijn moeilijker te meten dan veel fysieke kenmerken. Bij fysieke
kenmerken zoals lengte of gewicht bestaat een echt nulpunt. Daardoor kun je zinnige
uitspraken doen als iemand is twee keer zo zwaar of 50 procent langer. Bij psychologische
kenmerken is zo’n echt nulpunt meestal niet aanwezig. Een score van nul op een
intelligentietest betekent bijvoorbeeld niet dat iemand geen intelligentie heeft. Op dezelfde
manier betekent een score van nul op een schaal voor unconventionality niet dat iemand
helemaal geen unconventionality bezit. Daardoor zijn verhoudingen bij psychologische
metingen meestal niet betekenisvol. Je kunt dus niet goed zeggen dat iemand twee keer zo
intelligent of 50 procent onconventioneler is dan een ander.
Mensen rangschikken op basis van hun score kan wel, maar rangordes hebben een
belangrijk probleem: de afstanden tussen de rangen zijn niet noodzakelijk gelijk. Het verschil
tussen nummer 1 en nummer 2 kan heel klein zijn, terwijl het verschil tussen nummer 2 en
nummer 3 groot kan zijn. Daardoor zijn rangen minder bruikbaar voor statistische
berekeningen zoals gemiddelden.
Daarom willen psychologen liever scores hebben met betekenisvolle intervallen. Dat
betekent dat een verschil van bijvoorbeeld 10 punten ongeveer evenveel moet betekenen op
verschillende plekken van de schaal. Een verschil tussen 50 en 60 moet dus ongeveer
hetzelfde soort verschil weergeven als tussen 70 en 80. Het gaat daarbij niet om echte
eenheden zoals centimeters of kilo’s, maar om de eis dat gelijke scoreverschillen ongeveer
gelijke verschillen in het onderliggende kenmerk vertegenwoordigen. Veel goed ontworpen
psychologische metingen komen volgens het hoofdstuk dicht genoeg in de buurt van dat
ideaal om bruikbaar te zijn voor statistische analyse.
1.1.2 Standard Scores
Omdat verschillende schalen verschillende gemiddelden en spreidingen hebben, kun je
ruwe scores op verschillende variabelen niet zomaar vergelijken. Het voorbeeld in het
hoofdstuk is dat Bob een IQ van 90 heeft en een sociabilityscore van 60. Op het eerste
gezicht lijkt 90 hoger dan 60, maar inhoudelijk zit Bob met 90 onder het gemiddelde op IQ en
met 60 juist boven het gemiddelde op sociability. Daarom is een omzetting nodig naar een
gemeenschappelijke schaal.
Die gemeenschappelijke schaal bestaat uit standaardscores of z scores. De eerste stap is
dat je van iemands ruwe score het groepsgemiddelde aftrekt. Daarmee zie je of iemand
boven of onder het gemiddelde zit. De tweede stap is dat je dit verschil deelt door de
standaarddeviatie, dus door de spreiding van de scores. Zo krijg je een score die aangeeft
hoeveel standaarddeviaties iemand boven of onder het gemiddelde zit.
Standaardscores hebben twee vaste eigenschappen: het gemiddelde is precies 0 en de
standaarddeviatie is precies 1. Daardoor kun je scores op verschillende schalen met elkaar
vergelijken, ook als die schalen oorspronkelijk totaal andere gemiddelden en spreidingen
hadden. Dat kan zowel bij twee schalen voor hetzelfde kenmerk als bij schalen voor heel
verschillende kenmerken.
, Het hoofdstuk legt ook de normale verdeling uit. Bij veel fysieke en psychologische
kenmerken zitten de meeste mensen rond het gemiddelde en zijn extreme scores zeldzaam.
Een z score van 0 ligt precies op het gemiddelde. Een z score van 1 betekent ongeveer
hoger dan 84 procent van de mensen. Een z score van 2 betekent ongeveer hoger dan 98
procent. Omgekeerd betekent een z score van -1 ongeveer hoger dan 16 procent van de
mensen en een z score van -2 ongeveer hoger dan 2 procent. Dit helpt om snel te begrijpen
waar iemand zich ongeveer in de verdeling bevindt.
1.1.3 Correlation Coefficients
Een correlatiecoëfficiënt, aangeduid met r, laat zien hoe sterk twee variabelen
samenhangen. Die waarde kan lopen van +1 tot -1. Bij +1 is er een perfecte positieve
samenhang: hoe hoger de ene variabele, hoe hoger de andere. Bij -1 is er een perfecte
negatieve samenhang: hoe hoger de ene variabele, hoe lager de andere. Een correlatie van
0 betekent dat er geen lineaire samenhang is.
De kernbetekenis van een correlatie is dat een verschil van 1 standaarddeviatie op de ene
variabele samengaat met een verschil van r standaarddeviaties op de andere variabele. Als
r bijvoorbeeld .50 is, dan gaat een verschil van 2 standaarddeviaties op X gemiddeld samen
met een verschil van 1 standaarddeviatie op Y. Als r -.50 is, dan gaat diezelfde stijging op X
juist gemiddeld samen met een daling van 1 standaarddeviatie op Y.
Het hoofdstuk laat ook zien dat perfecte correlaties zeldzaam zijn. Zelfs twee metingen van
bijna hetzelfde kenmerk zullen meestal niet perfect correleren, doordat metingen altijd enige
error bevatten. Bij correlaties die kleiner zijn dan +1 of -1 weet je dus niet exact wat de score
van één persoon op de andere variabele is, maar je weet wel iets over het gemiddelde
patroon in groepen.
Voor de interpretatie geeft het hoofdstuk
grove richtlijnen. Correlaties tussen
ongeveer -.20 en +.20 gelden vaak als
klein. Correlaties tussen ongeveer .20
en .40 of tussen -.20 en -.40 zijn matig.
Correlaties groter dan ongeveer .40 of
kleiner dan -.40 zijn groot. Daarbij
benadrukt het hoofdstuk dat ook een
bescheiden correlatie belangrijk kan zijn.
Een correlatie van .25 lijkt misschien
klein, maar tussen mensen die heel
hoog en heel laag op een trek scoren
kan dat toch een verschil van ongeveer
één standaarddeviatie op een uitkomst
opleveren. Dat is inhoudelijk behoorlijk
groot.