Hoorcollege 1. Inleiding.
Introductie
Wat onderzoeken persoonlijkheidspsychologen?
- Menselijke natuur (universele benadering)
- Individuele- & groepsvariatie (nomothetisch): Nomothetisch is gericht is op het
ontdekken van algemene wetten en regels, door onderzoek bij groepen
- Individuele uniciteit (idiografisch) → werkgroepen: Beschrijving van 1 persoon.
Niveau 1: Menselijke natuur (hoe mensen zijn zoals alle andere mensen)
Voorbeeld economie:
Neoklassiek economisch model (Adam Smith):
- Individuen zijn rationeel/streven eigenbelang na;
- Individuen hebben identieke voorkeuren en capaciteiten;
- Individuen hebben dezelfde informatie en dezelfde doelen;
→ Alle individuen nemen op dezelfde manier beslissingen.
We weten dat dit niet waar is.
Voorbeeld psychologie: (uitgaande dat mensen allemaal hetzelfde waren)
(Klassiek) Behaviorisme :
- Mensen worden geboren als een 'tabula rasa' (onbeschreven blad) (John Locke;
1632–1704);
- Gedrag wordt aangeleerd door (stimulus – respons) conditionering;
→ Alle individuen reageren op dezelfde manier.
(geef mij een dozijn aan babys ik maak ze allemaal hetzelfde)
(Klassieke) Evolutionaire Psychologie :
- Niet-optimaal gedrag verdwijnt door middel van selectieprocessen (voortplanting en
overleving). Mensen die niet voldoende aangepast zijn aan de omgeving overleven
niet.
→ Alle individuen zijn (ongeveer op dezelfde manier) aangepast aan de omgeving.
Niveau 2: Individuele- en groeps variatie (hoe mensen zijn zoals sommige andere mensen)
Hoe mensen zich onderscheiden van andere groepen (veel
groepen mogelijk).
Veel groepen die wij maken zijn op basis van psychologische
eigenschappen, deze is aan de hand van de z-verdeling weer
te geven. Als hij ergens op de normaalverdeling zit, deel je
eigenschappen met een ander persoon.
Voorbeeld: Mannen en vrouwen met verdenking crimineel gedrag (man: 6, vrouw: 1),
verhouding aantal gedetineerden (man:20, vrouw: 1). Is er een relatie tussen geslacht en
criminaliteit? Wat zijn de onderliggende eigenschappen die daarmee gerelateerd zijn?
,Niveau 3: Individuele uniciteit (hoe mensen zijn als geen andere mensen)
Door combinatie van verschillende eigenschappen is iedereen uniek.
Hoofdstuk 1: basisconcepten in psychologische metingen
1. Basis Statistiek
2. Betrouwbaarheid en validiteit
3. Meetmethoden
→ Wordt niet behandeld! Lees het boek en bekijk de videoclip.
Hoofdstuk 2: Persoonlijkheidskenmerken en vragenlijsten
1. Definitie (2.1 & 2.2): Dit college
2. Bestaat persoonlijkheid? (2.3): Dit college
3. Gestructureerde vragenlijsten (2.4)
4. Vragenlijstconstructie (2.5)
5. Zelf, observatoren, en biases (2.6)
Voor 3, 4 en 5 → Lees het boek!!
1. Definitie, wat is persoonlijkheid:
Een persoonlijkheidstrek verwijst naar verschillen tussen individuen in de typische neiging
om zich op bepaalde conceptueel gerelateerde manieren te gedragen, te denken of te
voelen in verschillende relevante situaties en over een vrij lange tijdsperiode.
Persoonlijkheid…
1. verwijst naar verschillen tussen individuen
2. in een typische neiging om zich te gedragen, te denken of te voelen (3 g’s: gedrag,
gevoelens, gedachten)
3. op bepaalde conceptueel gerelateerde manieren (als je bepaalde gedachten hebt bij
een feest dat je waarschijnlijk ook gelijke gedachten heb als je naar een borreltje
gaat) (ben je meer extravert zal je meer positief zijn bij gedachten aan een feest,
terwijl introvert eerder positieve gevoelens krijgt bij iets alleen kunnen doen)
(extravert levendiger dan introvert, je eigenschappen passen bij je gedachten)
4. in verschillende relevante situaties
5. gedurende een vrij lange tijdsperiode.
Wat is persoonlijkheid niet?
Individuele verschillen
- Fysiek (bijv. lengte, aantrekkelijkheid)
- Psychologisch
- Intellectueel (bijv. kennis, mentale vaardigheden en capaciteiten)
- Niet-intellectueel
- Kortstondig (bijvoorbeeld emoties, gevoelens): als je een keertje erg
boos bent (enkele emoties) zeggen niks over je persoonlijkheid,
daarvoor moet iets vaker voorkomen.
- Langdurig
- Situatie-specifiek (bijv. specifieke gewoonten, attitudes)
- Algemeen/cross-situationeel: Wel Persoonlijkheid (maar
ook interesses en waarden)
,Andere individuele verschillen
- Mentale capaciteiten: maximaal (in plaats van typisch) gedrag:
→ Hoe goed kun je problemen maximaal oplossen?
- Interesses: voorkeur voor activiteiten
- (sociaal-politieke) Waarden: belang van ideeën, voorkeuren
- Religie: geloof in bovennatuurlijke zaken
- Seksualiteit: (seksuele) oriëntatie
… zijn sterk bepalend voor de identiteit en zijn gerelateerd aan persoonlijkheid.
2. Bestaat persoonlijkheid?
- Gedrag = een functie van Persoonlijkheid: B = f(P)
- Gedrag = een functie van de Situatie: B = f(S)
- Gedrag = een functie van de interactie tussen Persoonlijkheid en Situatie: B = f(Px S)
→ Als persoonlijkheid bestaat, moet er (tenminste) een aanzienlijke hoeveelheid
persoonsgerelateerde systematische variantie zijn
Hartshorne & May (1928): Observeerden kinderen in verschillende situaties waarin (gebrek
aan) 'moreel karakter' kon worden getoond:
- Geld houden versus schenken aan een goed doel
- Geld stelen uit een puzzeldoos
- Vals spelen bij verschillende wedstrijden
- enz …
Walter Mischel (1968): Nee!
- Zeer zwakke relaties (≤ .20) tussen het gedrag van een individu in de ene situatie en
het gedrag van een individu in een andere situatie.
Mischel & Peake (1982): 'Cross-situationele consistentie van consciëntieusheid':
- Aanwezigheid in de klas; Voltooien van opdrachten; Grondigheid aantekeningen;
Stiptheid opdracht; Netheid opdracht; Netheid kamer; Netheid kleding
- Enz ... (totaal 19 gedragingen)
Lage gemiddelde correlatie (r = .13) van 19 gedragingen.
Conclusies Mischel & Peake (1982):
- Geen ‘cross-situationele consistentie’ in de consciëntieusheid van een persoon in
verschillende situaties
→ Consciëntieusheid moet afhankelijk zijn van de situatie
→ Persoonlijkheid bestaat niet (of nauwelijks).
Heranalyse: Jackson & Paunonen (1985) verdeelden deze 19 gedragingen in 2 sets (Set 1:
10 gedragingen; Set 2: 9 gedragingen)
- Voor elk individu 1 score op elk van de twee gedrag sets (aggregatie: maken
somscore)
- Zeer hoge correlatie tussen de twee gedrag sets: r = .50.
- Conclusie: op basis van een enkel gedrag is een ander enkel gedrag moeilijk te
voorspellen, maar op basis van een aantal gedragingen in verschillende situaties is
wel te voorspellen hoe iemand zich gemiddeld gedraagt in een aantal andere
situaties.
, Belangrijke les: vorm geen oordeel over een enkel gedrag van een persoon. Pas na
herhaaldelijke gedragingen kun je een uitspraak doen over de eigenschappen van een
persoon.
Gedrag = een functie van Persoonlijkheid: B = f(P)
Gedrag = een functie van de situatie: B = f(S) Dit is fout!!! Persoonlijkheid sowieso een rol.
Gedrag = een functie van de interactie tussen Persoonlijkheid en Situatie: B = f(P x S)
→ Als persoonlijkheid bestaat, moet er (tenminste) een aanzienlijke hoeveelheid
persoonsgerelateerde systematische variantie zijn
Experimenten van Asch & Milgram: sommige deelnemers conformeren zich aan groepsdruk
of druk van iemand in een gezagspositie (Beque et al., 2015; Franzen & Mader, 2023).
Asch: visuele combinaties in groep met acteurs. Je ziet controlegroep en experimentele
groep, bij experimentele groep geeft een groot deel nog wel het goede antwoord. Er zitten
grote individuele verschillen in de mate waarop mensen antwoord geven.
- De mate waarin mensen conformeren wordt hierin getest →
Dit wordt Trek Activatie genoemd: Een persoonlijkheidstrek komt alleen tot
uitdrukking in een persoonlijkheids relevante situatie (interactie tussen
persoonlijkheid en situatie)
Milgram: blijkt dat een groot deel geneigd is om hoge schokken te geven.
Welke persoonlijkheidstrekken zijn gecorreleerd met het toedienen van sterkere schokken?
- Consciëntieusheid hoog, eerder schokken geven.
- Hoog op altruïsme, eerder geneigd experimentator als vriend houden dus gaven wel
de schokken
- Neuroticisme en extraversie speelden geen rol