,Gemaakt door de klas als voorbereiding op het eindexamen 2026
De vragen zijn gebaseerd op wat Studieblad.nl en docent aangeven als studiemateriaal en wat je
kunt verwachten.
Oefentoets 87 veel voorkomende vragen en antwoorden
20 open vragen
Hoofdstuk 1 – Biologische processen en homeostase
Vraag 1
Een leerling onderzoekt de invloed van temperatuur op de werking van een enzym. Bij 10 °C is de
reactiesnelheid laag. Bij verhoging van de temperatuur neemt de reactiesnelheid toe, maar boven 40
°C daalt deze snel.
Leg uit waardoor de reactiesnelheid eerst toeneemt en vervolgens sterk afneemt.
Vraag 2
Na een koolhydraatrijke maaltijd stijgt de glucoseconcentratie in het bloed. De pancreas reageert
hierop.
Beschrijf de hormonale regeling waardoor de bloedglucose weer richting de uitgangswaarde wordt
gebracht.
Vraag 3
Tijdens langdurige inspanning stijgt de lichaamstemperatuur. Het lichaam activeert verschillende
mechanismen om verdere stijging te beperken.
Leg uit hoe negatieve terugkoppeling hierbij bijdraagt aan homeostase. Noem twee concrete
fysiologische reacties.
Vraag 4
Een persoon drinkt in korte tijd veel water. Hierdoor daalt de osmolaliteit van het bloed.
Leg uit welke verandering hierdoor optreedt in de ADH-afgifte en wat het effect daarvan is op de
urineproductie.
Vraag 5
Bij een patiënt is de concentratie rode bloedcellen sterk verlaagd.
Leg uit welk effect dit heeft op het zuurstoftransport naar de weefsels en waarom dit kan leiden
tot vermoeidheid en kortademigheid.
, Hoofdstuk 2 – Genetica, cellen en voortplanting
Vraag 6
Een lichaamscel van een mens bevat 46 chromosomen. Deze cel ondergaat mitose.
Leg uit waarom de twee dochtercellen na de mitose eveneens 46 chromosomen bevatten.
Vraag 7
Een mutatie verandert één nucleotide in een coderend deel van een gen. Hierdoor verandert één
codon, maar het geproduceerde eiwit blijft hetzelfde.
Leg uit hoe een verandering in DNA toch geen verandering in het eiwit hoeft te veroorzaken.
Vraag 8
Bij een bepaalde erfelijke aandoening is het ziekte-allel recessief. Twee ouders zijn beide
heterozygoot.
Bereken de kans dat hun kind de aandoening heeft en leg uit hoe je deze kans bepaalt.
Vraag 9
Bij de vorming van geslachtscellen vindt meiose plaats.
Leg uit waarom meiose noodzakelijk is voor de instandhouding van het chromosoomaantal van de
soort bij geslachtelijke voortplanting.
Vraag 10
Een vrouw heeft een erfelijke aandoening die wordt veroorzaakt door een recessief allel op het X-
chromosoom. De vader van haar kind heeft het normale allel.
Leg uit waarom de kans dat een zoon de aandoening krijgt anders is dan de kans dat een dochter
de aandoening krijgt.
Hoofdstuk 3 – Mens, milieu en evolutie
Vraag 11
In een ecosysteem neemt de populatie konijnen sterk toe. Enkele jaren later neemt de populatie
weer af.
Leg uit hoe voedselbeschikbaarheid en predatie gezamenlijk kunnen bijdragen aan deze
verandering in populatiegrootte.
Vraag 12
In een voedselketen bevinden zich achtereenvolgens planten, rupsen, zangvogels en roofvogels.
Leg uit waarom de hoeveelheid beschikbare energie afneemt naarmate een organisme hoger in de
voedselketen staat.