Samenvatting Hoorcolleges
HC 1: Meten, schaling, normen en classificatie
Psychometrie= tak van psychologie die zich bezig houdt met de ontwikkeling, evaluatie en het gebruik van
psychologische tests. Hiervoor is het toepassen van statistische technieken op psychologische testen nodig.
Een statistische test kan aangeven dat er iets mis is met de psychologische test, maar je moet zelf na gaan
wat er dan precies verbeterd kan worden aan de test doormiddel van logisch na te denken.
Het meten van psychologische eigenschappen is moeilijk omdat een psychologisch construct niet direct
observeerbaar is. Het psychologische construct wat je wilt meten noem je dan ook de latente variabele.
Maar deze latente variabele beïnvloed wél gedrag, dit gedrag is te observeren.
Latente variabele→Observeerbaar gedrag
Aan de hand van de aanname dat de latente variabele het observeerbare gedrag beïnvloed, kan je dus
doormiddel van dat gedrag iets zeggen over het psychologische construct.
VB: Mate van depressie;
De mate van depressie is niet direct te observeren. Maar wél het antwoord op de vraag of iemand zelden zin
heeft in hobbies. Aan de hand van het antwoord kan je vervolgens iets afleiden over de mate van depressie;
onder de aanname dat depressie het antwoord beïnvloed.
Meten van psychologische eigenschappen:
- Wat:
Observeerbaar gedrag dat gevoelig is voor variaties in het psychologische construct.
- Hoe:
Doormiddel van een systematische verzameling. Je meet iets dus elke keer op dezelfde manier. Zo
zegt een variatie in de meting zo veel mogelijk iets over variatie in psychologisch construct.
- Waarom:
Met als doel om vergelijkingen te maken:
- Interindividuele verschillen= verschillen tussen verschillende personen.
VB: Rogier heeft meer zelfvertrouwen dan Rafael.
- Intra-individuele verschillen= verschillen binnen een persoon.
VB: Novak was minder depressief na therapie dan voor de start van de therapie.
→ Psychologische test is als het ware een systematische steekproef van gedrag om iets te zeggen over een
psychologisch construct.
De volgende dingen zijn nodig voor de interpretatie van metingen/testen:
- Schaling= het toekennen van numerieke waarden aan psychologische eigenschappen
(gedrag/observaties).
VB: De somscore van de itemscore zegt iets over gedrag.
- De schaling hangt af van het meetniveau van de test.
- Normen= de interpretatie van testscores.
VB: Jamie scoort 22, wat betekend dat?
- Relatieve normen= een testscore vergelijken met scores van relevante anderen. Ook wel
norm referenced test genoemd.
, Hierbij is dus de interpretatie van de score afhankelijk van hoe andere mensen scoren. Deze
anderen mensen noem je ook wel de representatieve norm groep of referentiesteekproef.
Daarom is het belangrijk om van de scores waarmee je gaat vergelijken het volgende te
weten:
• Gemiddelde van de scores:
Hiermee ga je vergelijken.
• Standaarddeviatie van de scores:
Hiermee kan je zeggen hoever boven of onder gemiddeld iemand scoort.
Standaarddeviatie= hoeveelheid variatie binnen een bepaalde populatie/een set
testscores.
VB: Jamie scoort 22;
→ Kleine SD:
Als het groepsgemiddelde 25 is, dan zegt een kleine SD dat de meeste scores in de
populatie wel dicht op die 25 liggen. Dat betekend dat de score van Jamie (22) ver
onder gemiddeld is; de meeste mensen scoren namelijk heel dicht op de 25.
→ Grote SD:
Als de SD groot is dan betekend het dat veel scores binnen de populatie ver dan de
25 afliggen (er is dan meer variatie binnen de groep). In dat geval is Jamies score van
22 misschien nog wel onder gemiddeld, maar helemaal niet ver onder gemiddeld. De
interpretatie is dan dus heel anders.
- Absolute normen= een testscore vergelijken met een vaste standaard.
Worden ook wel criterion of domain referenced tests genoemd. Hierbij is de interpretatie
van de score afhankelijk van de gekozen standaard.
Gestandaardiseerde scores om relatieve normen intuïtiever en preciezer te kunnen interpreteren:
1. Z-score:
- Doormiddel van een z-score kan je heel precies uitrekenen hoeveel standaarddeviaties
iemand afwijkt van het gemiddelde (bij een normaalverdeling). Zo hoef je dus niet alleen te
spreken over boven of onder gemiddeld maar kan je dit heel precies aanduiden.
- Z-score= een gestandaardiseerde score die aan geeft hoeveel sd iemand van het gemiddelde
afwijkt.
- Voor de z-scores van een steekproef geldt:
o Gemiddelde=0
o SD=1
- Z-scores kunnen positieve en negatieve getallen zijn.
- Formule:
X= score individu.
Mx= gemiddelde score steekproef.
Sdx= standaarddeviatie van steekproef.
, VB: Jamie scoort 22;
→ Kleine SD:
Z-score Jamie= (22-25)/1= -3
Jamie scoort dus 3SD lager dan het gemiddelde.
→ Grote SD:
Z-score Jamie= (22-25)/5= -0.6
Jamie scoort dus 0.6SD lager dan het gemiddelde.
- De z-score kan je vervolgens vertalen naar een percentage op basis van de z-verdeling.
Percentages zijn namelijk vaak makkelijker te interpreteren.
2. T-score:
- Zijn makkelijker te begrijpen dan z-scores omdat het alleen maar positieve waarden zijn en
vaak ook hogere getallen. Dit is intuïtiever te interpreteren.
- Verder klinken de scores vriendelijker.
VB: IQ van 2 vs. IQ van 20.
- Er zit verder geen statistisch voordeel aan t-scores.
- Voor de t-scores geldt:
o Gemiddelde= 50
→ Als iemand dus onder de 50 scoort dan scoort die onder gemiddeld, en erboven
dus boven gemiddeld. In die zin geeft het een iets vagere duiding aan hoe ver
boven of onder gemiddeld in vergelijking tot een z-score.
o SD= 10
- Formule:
VB: Jamie scoort 22;
→ Kleine SD:
T-score Jamie= 10*(-3)+50=20
→ Grote SD:
T-score Jamie= 10*(-0.6)+50=44
3. Percentielscore:
- Geeft het percentage van de scores wat lager of gelijk aan een specifieke testscore is.
VB: Voor x=22 is de percentiel score het percentage personen met een score van 22 of lager.
- Geeft dus aan hoeveel mensen hetzelfde of minder goed dan jij presenteren. Wordt veel
gebruikt bij prestatie toetsen.
- De percentielscore is hetzelfde als het cumulatieve percentage.
- Overeenkomsten met z-scores&t-scores:
o Het zijn alle drie relatieve normen.
, - Verschillen met z-scores&t-scores:
o Met z-scores en t-scores vergelijk je iemand ten opzichte van het gemiddelde. Er
wordt dus vergeleken met een gemiddelde van de normgroep.
o Met percentielscores vergelijk je iemand ten opzichte van de hoeveelheid mensen
die het beter of minder goed doen. Er is dus meer focus op de hoeveelheid mensen
in de groep. Er wordt dus vergeleken met een frequentie.
- Formule:
(Aantal mensen met een bepaalde score of lager/totaal aantal mensen)*100
Criteria waar een steekproef aan moet voldoen om relatieve normen te kunnen gebruiken:
- Zijn de normen actueel:
- De steekproef waarvan je data hebt verzameld moet enigszins recent verzameld zijn.
- De houdbaarheid van data verschilt per vakgebied en onderwerp. Over het algemeen geldt:
o Na 15 jaar is data verouderd.
o Na 20 jaar is data niet meer bruikbaar.
- Zijn de normgroepen groot genoeg:
- N= minimaal 200-300
- Zijn de normgroepen representatief:
- Denk aan leeftijd, geslacht, etniciteit, geloofsovertuiging, etc. Het hangt af van wat je aan
het meten bent hoe belangrijk bepaalde variabelen zijn voor de representativiteit.
Veel referentiesteekproeven voldoen op zijn minst niet aan 1 van de bovenstaande criteria. Daar is in de
wetenschap te weinig geld voor. Het is dan ook belangrijk om de criteria na te gaan en te bedenken hoe het
je resultaten kan beïnvloeden als er aan 1 niet voldaan wordt.
Psychologische metingen zijn doorgaans dimensioneel. Het zijn namelijk vaak numerieke waardes op een
interval of ratio niveau. Op basis van deze score willen we echter classificeren (=personen toewijzen aan
specifieke categorieën of groepen).
→ Je wilt dus eigenlijk van een interval naar een classificatie in categorieën.
Van interval naar categorie:
1. Met 1 dimensie:
- Je wilt op basis van één interval of ratio variabele naar een categorie.
- Methode:
Dit kan worden gedaan doormiddel van een cut-off point.
VB: Cut-off point=18;
Alle scores gelijk aan of boven de 18 krijgen een diagnose en alles onder de 18 krijgt geen
diagnose.
2. Met meer dan 1 dimensie:
- Je wilt op basis van meer dan één interval of ratio variabele naar een categorie.
VB: Je wilt classificeren op basis van een depressie en angst vragenlijst.
- Methode:
Dit kan worden gedaan doormiddel van een discriminantenanalyse