Week 1
Kennisclip Contextanalyse deel 1:
Contextanalyse is een van de drie analyses die we maken. Gaat over verzamelen van informatie van
bekende oorzaken en oplossingen voor het maatschappelijk vraagstuk.
Vraag= iets waar een antwoord op bestaat. Je moet het antwoord zoeken (bv 1+1=2, makkelijk te
beantwoorden)
Vraagstuk= iets waar het antwoord nog niet op bestaat. Je moet het antwoord dus maken (hoe ziet
de toekomst op school na 2030 eruit?, moeilijker te beantwoorden).
Sociaal vraagstuk= Vraagstuk dat relevant is voor de maatschappij. (voor ons allemaal)
Hebben te maken met de waarden en normen binnen de maatschappij. (wat doen
we voor onszelf, wat doen we voor elkaar, wat mogen we van elkaar verwachten).
Human Capital Model: 79 positieve effecten van sport en bewegen
-Van meneer Bailey.
-Als je alle positieve effecten van sport en bewegen op een rij zet, kun je dat zien als een manier om
het op 6 onderdelen in te delen:
1.Intellectuele waarde; als je veel sport→goede bloedtoevoer lichaam, inclusief hersenen→
over het algemeen betere functies in hersenen→ slimmer
2.Financiële waarde; als je meer beweegt→ je verdient meer door betere baan (met name
te maken met fysieke ontwikkeling en emotionele- en persoonlijke ontwikkeling)
3.Fysieke waarde; als je veel beweegt ben je gezonder (hoe ouder, hoe duidelijker verschil
tussen sporters/niet-sporters)
4.Emotionele waarde; emotionele welzijn. Als je meer sport→hogere eigenwaarde, meer
zelfvertrouwen, minder last van emotionele stoornissen (waarschijnlijk omdat sport een
omgeving is waar veel emoties voorkomen die je hier reguleert).
5.Persoonlijke waarde; als je veel sport zijn over het algemeen beter in samenwerken, het
oplossen van complexe problemen en nemen meer verantwoordelijkheid op zich (sport
omgeving biedt die kans)
6.Sociale waarde; als je veel sport kun je beter met elkaar leven (fairplay binnen sport).
Morele aspecten binnen sport
In Human Capital Model geven de kleuren aan hoeveel bewijs er al is of het daadwerkelijk positief
beïnvloed wordt door sport en bewegen. (groen=solide bewijs, geel=overtuigend bewijs,
oranje=gebrek aan overtuigend bewijs, rood=geen onderbouwing).
,Contextanalyse opbouw;
-‘Wat zijn al bekende oorzaken en oplossingen voor het maatschappelijke vraagstuk?’.
1.Vraagstuk 2.Vraagstuk in cijfers 3.Oorzaken 4.Succesvolle initiatieven
5.Succesfactoren 6.Conclusie
1: Vraagstuk→ Definiëring van de begrippen in het vraagstuk. (door middel van literatuuronderzoek,
zorgen dat mensen het vraagstuk op dezelfde manier interpreteren als hoe jij het ziet).
2: Vraagstuk in cijfers→ Wat weet je al van het vraagstuk, welke cijfers zijn al bekend. Belangrijk om
omvang en relevantie van het vraagstuk te kunnen duiden.
Kennisclip Contextanalyse deel 2:
Analyserapport voor sociaal vraagstuk→ Contextanalyse + stakeholderanalyse + doelgroepanalyse, +
conclusie.
3: Oorzaken→ Onderzoeken wat oorzaken zijn van het probleem rondom je sociale vraagstuk.
4: Succesvolle initiatieven→ Zaken die al geprobeerd zijn door andere mensen in het verleden om
dit probleem om te lossen. Eerst op landelijk niveau (beleid), dan regionaal en lokaal (tactisch).
Je zoekt ze om ideeën te krijgen wat zou kunnen helpen bij het oplossen van het sociale vraagstuk.
-Acties die ondernomen zijn om het probleem op te lossen.
5: Succesfactoren→ Zaken die vaak vanuit de wetenschap gedefinieerd zijn die belangrijk zijn om de
kans op succes bij het oplossen van het vraagstuk te vergroten.
6: Conclusie→ Vraagstuk is afgebakend, beoordeeld op omvang/relevantie/urgentie op basis van
cijfers, oorzaken bekeken, succesvolle initiatieven/succesfactoren bekeken. Dit door middel van
onderzoek.
-Onderzoek= activiteiten gericht op het genereren van nieuwe informatie en kennis.
-Analyse= ontleden van een onderwerp om zodoende tot patronen en inzicht te komen.
Dus op basis van de informatie en kennis die je verzameld hebt kom je tot inzicht!
-Wat zijn nu echt de belangrijke zaken? (welke komen veel/weinig voor)
-Welke zaken hangen met elkaar samen? (welke hangen samen/juist niet samen)
Zo kom je tot inzichten om goed antwoord te kunnen geven op het vraagstuk.
Onderzoek om analyses te kunnen maken:
Primair onderzoek (fieldresearch) duurt lang, veel moeite etc.
Eerst kijken of kennis/informatie al bestaat→ secundair onderzoek (deskresearch en
literatuuronderzoek)
Contextanalyse gaat door middel van secundair onderzoek. Geen fieldresearch.
, Kennisclip Sociale cohesie en sociale structuren:
Sociaal ondernemen;
Blokdoel→ een duurzaam businessmodel creëren met een maatschappelijk effect.
Analyse van de buurt→ wijkscan (welke sociale structuren zijn zichtbaar?).
In de regel→ (sociale) impact first (goede impact→gemeente kan je bv subsidies gaan geven, eerst
goede impact, dan kun je er geld mee gaan verdienen).
Verschil in leefomgeving→Verschil in gedrag
Bv; kleine arbeidershuizen, mensen zitten gezellig op de stoep, makkelijker contact onderling
Groot landgoed, mensen hebben grote tuin, spreken buren minder, minder contact, formeler
Boer, woont in dorp, kent veel dorpelingen, heeft met veel mensen contact, meer contact in dorpen
In de stad, minder mensen kennen elkaar, minder op elkaar letten, minder onderling contact
→Gedrag is contextafhankelijk (omgeving waar iemand in zit, context, is van invloed op gedrag).
Kijk wat er speelt in de wijk, welke bewegingen zijn er in de wijk, wat voor mensen wonen er, hoe
gedragen de mensen zich. (op inspelen met je businessmodel).
Sociale structuren:
=Geheel van onderling samenhangende kenmerken van de sociale verhoudingen in een gegeven
groep of samenleving die een zekere duurzaamheid bezitten en die als sterk bepalend voor het
functioneren van de groep of samenleving en voor het gedrag van de leden kunnen worden
beschouwd.
→Vaste patronen (binnen de buurt) die van invloed zijn op het gedrag van het individu, groepen
en de samenleving (in die buurt).
Bv; Mensen in armoede, geen geld voor sport, thuis is minder te beleven, op straat rondhangen.
Vandalisme ontstaat, meer hangjongeren, meer onveiligheidsgevoel op straat, politie grijpt soms in.
Sporten met buurthuizen, omdat ze niet bij een vereniging kunnen in verband met de armoede.
Sociale structuren kunnen gedrag van groepen verklaren
Sociale cohesie= mate van gevoelde verbondenheid met anderen
-Sociale cohesie is van grote invloed op gedrag van mensen in de buurt
-Gedrag van mensen in de buurt is van invloed op de sociale cohesie
Lage mate van sociale cohesie→ één van de oorzaken van sociale problemen (minder contact,
minder sociale controle)
Hoge mate van sociale cohesie→ mensen maken vaak praatje met elkaar, ze voelen zich verbonden.
Bv; Lage mate sociale cohesie→ mensen voelen zich niet verbonden→ maken minder snel een
praatje→ minder contacten→ meer eenzaamheid
-Mate van eenzaamheid groter in steden waar juist veel mensen wonen, in dorpen maken
mensen vaak toch wel een praatje met elkaar.
Collectieve zelfredzaamheid:
-Een grotere mate van sociale cohesie→ meer contacten→ mensen hebben meer de neiging om
deel te nemen aan activiteiten in de buurt→ community attachment (mensen voelen verbonden met
gemeenschap en gaan er actief aan deelnemen, hoge mate van deelname in de gemeenschap).
-Een grotere mate van sociale cohesie→ meer contacten→ meer sociale controle
-Community attachment + sociale controle = collectieve zelfredzaamheid
-Een hoge mate van collectieve zelfredzaamheid is wenselijk→ sociale problemen kunnen worden
opgelost
-Collectieve zelfredzaamheid= de mogelijkheden van de buurt om zelf problemen op te lossen.
(als dit hoog is zijn mensen geneigd deel te nemen aan oplossen van probleem en met sociale
controle op letten in de wijk).