Hoofdstuk 7
Kinderbeschermingsmaatregelen algemeen
Vanwege het ingrijpende karakter van een kinderbeschermingsmaatregelen mag de
kinderrechter een dergelijke maatregel alleen opleggen als er geen andere, lichtere
manier is om een jeugdige te beschermen. Daarom gelden er drie voorwaarden.
1. Laatste middel, een kinderbeschermingsmaatregel wordt alleen opgelegd als
vrijwillige hulpverlening (hulpverlening met toestemming van de ouders) niet
voldoende (meer) helpt.
2. Zo licht mogelijk, de maatregel is zo ‘licht’ mogelijk, grijpt zo min mogelijk in, in
de bestaande gezinsverhoudingen en wordt daarom zo dicht mogelijk bij huis
uitgevoerd en duurt zo kort mogelijk.
3. Belang van de jeugdige, een kinderbeschermingsmaatregel mag alleen worden
opgelegd en toegepast als de maatregel noodzakelijk is om de belangen van de
jeugdige te beschermen.
Kinderbeschermingsmaatregelen (2 gewone en 2 spoed):
Ondertoezichtstelling (OTS)
Gezagsbeëindigende maatregel (GBM)
Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS)
Voorlopige Voogdij (VoVo)
Taakverdeling Raad van de kinderbescherming, kinderrechter en gecertificeerde
instelling
de Raad van de kinderbescherming doet onderzoek naar de (gezins)situatie van de
jeugdige en beslist op basis van dit onderzoek of er een verzoek bij de rechtbank zal
worden ingediend om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen.
De kinderrechter beslist, na alle betrokkenen de gelegenheid te hebben gegeven om
hun mening over de zaak te geven, of er een maatregel zal worden opgelegd en welke
maatregel dit zal zijn. In geval van een tijdelijke maatregel bepaalt hij in zijn uitspraak
ook de duur van de maatregel.
De gecertificeerde instelling, veelal jeugdbescherming genaamd, voert de opdracht van
de rechter uit.
De gemeente die de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en
jeugdreclassering inkoopt mogen dat alleen doen bij zogeheten gecertificeerde
instellingen.
Raad van de kinderbescherming
bij het voorbereiden en in gang zetten van een kinderbeschermingsmaatregel speelt de
,Raad van de kinderbescherming een centrale rol. De Raad valt onder het ministerie van
Justitie en Veiligheid en heeft als kerntaak het beschermen van de belangen van alle
minderjarigen die in ons land verblijven (en van Nederlandse minderjarige die in het
buitenland verblijven). Voor het signaleren van minderjarigen die mogelijk in de knel
zitten, is de Raad afhankelijk van meldingen, bijvoorbeeld van de ouders of de jeugdige
zelf, de politie, familieleden of buren, Veilig Thuis, wijkteams of hulpverleners.
Raadsonderzoek
Als de Raad een melding binnenkrijgt wordt beoordeeld of er een onderzoek moet
worden ingesteld. Stelt de Raad een onderzoek in, dan wil dit zeggen dat een
raadsonderzoek (een maatschappelijk werker van de Raad) op pad gaat om in contact
te komen met de ouders, jeugdige, de melder en andere betrokkenen. Op die manier
verzamelt de raadmedewerker informatie over de melding. Deze informatie wordt
vastgesteld in een onderzoeksrapport.
Verzoek bij de rechtbank
op basis van dit rapport besluit de Raad of hij de kinderrechter een verzoek om een
kinderbeschermingsmaatregel in zal dienen. De Raad neemt dus (in de meeste
gevallen) het initiatief voor de maatregel door een verzoekschrift in te dienen bij de
rechtbank. Door het indienen van een verzoek om een maatregel zet de Raad de
procedure in gang die ertoe leidt dat de kinderechter beslist of de door de Raad
verzochte maatregel zal worden opgelegd, wordt opgelegd.
Onder toezichtstelling
kenmerkend voor een ondertoezichtstelling (OTS) is dat de maatregel tijdelijk is en dat
het gezag bij de ouders blijft, het gezag wordt hen niet ontnomen. Wel wordt het gezag
van de ouders beperkt, omdat ze tijdens de OTS begeleid worden door een gezinsvoogd
die werkzaam is bij een gecertificeerde instelling. Deze begeleiding speelt zich af in een
gedwongen setting, ouders en jeugdige hebben geen keus, ze moeten zich door de
gezinsvoogd laten begeleiden. Daar zit een belangrijk verschil met de vrijwillige
hulpverlening die door de ouders zelf wordt ingeschakeld en ook weer door hen zelf kan
worden beëindigd.
Bij een OTS worden niet de ouders onder toezicht gesteld, maar de jeugdige. De
maatregel wil de belangen van de jeugdige beschermen, daarom wordt hij onder
toezicht gesteld. De begeleiding van gezinsvoogd richt zich niet alleen op de jeugdige,
maar ook op zijn ouders, want als zij erin slagen de opvoedingssituatie te verbeteren, is
dat het belang van de jeugdige.
Geaccepteerd de OTS
Een OTS is mogelijk in alle voor de jeugdige zeer bedreigde opvoedsituatie waarin
vrijwillige hulp niet voldoende (meer) helpt omdat deze niet (volledig) worden
,geaccepteerd, maar wel mag worden verwacht dat de ouders binnen een redelijke
termijn weer in staat zijn om zelf zonder gedwongen hulp het gezag uit te oefenen.
Procedure ondertoezichtstelling
de procederen voor een OTS wordt ingang gezet door een verzoekschrift. Dit
verzoekschrift kan worden ingediend door;
Een juridische ouder, al dan niet met gezag
Een pleegouder of een ander die het kind feitelijk verzorgt of opvoedt
De Raad van de kinderbescherming
Het Openbaar Ministerie
Behandeling van een OTS-verzoek
een verzoek van een OTS wordt altijd in een rechtszitting behandeld. Tijdens deze
zogeheten mondelinge behandeling van het verzoek krijgen alle betrokkenen de
gelegenheid om hun mening te geven over de situatie van de jeugdige en de noodzaak
van de OTS.
Voor de mondelinge behandeling worden opgeroepen:
De verzeker, dit is de aanvrager van de maatregel
Alle (in verzoekschrift genoemde) belanghebbenden, zoals ouders of voogd, de
jeugdige zelf, eventueel de pleegouders, en de gecertificeerde instelling
De Raad, ook als de Raad niet de verzoeker van de maatregel is
Daarnaast kan een kinderechter deskundigen oproepen; een psycholoog of een
psychiater.
Voorlopige ondertoezichtstelling
in een crisissituatie is het niet altijd mogelijk om de procedure te doorlopen. Het WB
biedt daarom de mogelijkheid om een jeugdige in een zeer snelle procedure vast
voorlopig onder toezicht te stellen in geval van een ernstig vermoeden dat de jeugdige in
zijn ontwikkeling wordt bedreigd en een OTS nodig is om hem te beschermen. In bijna
alle gevallen gaat het om een verzoek om een voorlopige OTS (VOTS) gepaard met een
verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing. De duur van een VOTS is maximaal drie
maanden, binnen die periode moet er een uitspraak liggen over de gewone OTS. Is dat
niet het geval dan staat de jeugdige niet langer onder toezicht.
Tegen de beslissing van de kinderrechter om een jeugdige voorlopig onder toezicht te
stellen, is geen hoger beroep mogelijk. Wel is beroep mogelijk tegen de machtiging tot
uithuisplaatsing die doorgaans bij de VOTS wordt afgegeven. Na een VOTS kan een OTS
voor maximaal een jaar worden opgelegd, want de duur van de VOTS wordt niet in
mindering gebracht op de OTS.
, De OTS wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling waarmee de gemeente van
de woonplaats van de jeugdige een contract heeft gesloten.
Doel van een OTS
Het doel van een OTS is het wegnemen of beperken van de bedreigingen in de
ontwikkeling van de jeugdige, zoals deze in rechterlijke uitspraak worden beschreven.
De inspanningen zijn erop gericht dat de ouders hun kinderen weer zonder gedwongen
hulp veilig op kunnen voeden. Bij oudere minderjarigen kan tijdens een OTS ook worden
gewerkt aan het bevorderen van de zelfstandigheid van de jongere.
Duur van een OTS
omdat het doel van de OTS is dat de gezinssituatie zo verandert dat de ouders de
opvoeding zelf weer kunnen, is de OTS een tijdelijke maatregel. In de uitspraak over de
OTS bepaald de kinderrechter de duur ervan. Daarbij is hij gebonden aan een maximum
van een jaar, met de mogelijkheid van verlengen.
Gezinsvoogd
Voor iedere jeugdige wijst de gecertificeerde instelling een van de medewerkers aan als
gezinsvoogd. Hij is voor de ouders en de jeugdige ‘het gezicht’ van de instelling. De
gezinsvoogd heeft de taak om toezicht te houden en hulp en steun te bieden aan het
gezin. De gezinsvoogd bekijkt met de ouders en de jeugdige welke hulp nodig is en biedt
ouders en jeugdige de gelegenheid om een familiegroepsplan op te stellen, waarin
wordt beschreven hoe de problemen waarover de OTS is opgesteld, zullen worden
opgepakt. Lukt het de ouders en de jeugdige niet om zelf een realistisch
familiegroepsplan op te stellen, een plan van aanpak op, waarin duidelijk wordt wat
erdoor wie wordt gedaan aan de in de rechtelijke uitspraak genoemde bedreigen in de
ontwikkeling. Het familiegroepsplan of het plan vormt de basis voor de hulp die tijdens
de OTS wordt geboden.
De jeugdwet bepaalt uitdrukkelijk dat de gezinsvoogd zelf geen jeugdhulp biedt. Wel
beslist de gezinsvoogd, in overleg met de gemeente, jeugdhulp die de gezinsvoogd
inzet. Bijzonder aan de ambulante jeugdhulp die de gezinsvoogd inzet, is dat daarvoor
de toestemming van de ouders en de jeugdige niet is vereist.
Informatieplicht en meld recht aan gezinsvoogd
Een gezinsvoogd heeft het recht om zich, zo nodig zonder toestemming van de ouder
en/ of jeugdige, tot beroepskrachten te wenden die met het gezin te maken hebben om
informatie op te vragen. De beroepskrachten die benaderd worden, hebben de plicht
om, zo nodig zonder toestemming van de ouders en/ of jeugdige, de gezinsvoogd te
informeren. Daarnaast hebben beroepskrachten het recht om zelf, zonder dat de
gezinsvoogd hen hierover benadert, contact te zoeken met gezinsvoogd als ze
informatie hebben die voor de uitvoering van de OTS van belang is. Als een docent
meent dat de gezinsvoogd moet worden geïnformeerd over het schoolverzuim of