Op basis van de leerdoelen voor OpenMenS uit Brightspace
Studietaak 1 (H7, 10, 32, 33, 37 OpenMenS)
Het verschil tussen een volledig gerandomiseerd, gedeeltelijk gerandomiseerd en
quasi-experimenteel design beschrijven
o Volledig gerandomiseerd design = Een volledig gerandomiseerd ontwerp
wordt ook wel een zuiver experiment genoemd. In een volledig
gerandomiseerd ontwerp wordt randomisatie gebruikt om deelnemers
willekeurig toe te wijzen aan experimentele condities of manipulaties.
Randomisatie zorgt ervoor dat elke eenheid uit een steekproef gelijke kans
heeft om in elke conditie terecht te komen.
o Gedeeltelijk gerandomiseerd design = Hier is sprake van ‘cluster
randomisatie’; er wordt gebruik gemaakt van bestaande clusters en deze
worden willekeurig verdeeld over de condities. De verdeling is niet volledig
random omdat het niet willekeurig is dat een bepaalde eenheid in een bepaald
cluster zit. Elke eenheid heeft dus niet een even grote kans om in elke
conditie terecht te komen en deelnemers binnen de groepen lijken
waarschijnlijk meer op elkaar dan deelnemers tussen de groepen. Echter is de
indeling op cluster-niveau wel willekeurig.
Voordeel: Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke groepen.
Nadeel: Er vindt niet perfecte randomisatie plaats waardoor de invloed
van storende variabelen niet volledig kan worden uitgesloten.
o Quasi-experimenteel design = Onderzoek waarin bestaande groepen
geobserveerd en gemanipuleerd worden. Proefpersonen worden niet
willekeurig toegewezen aan groepen. Quasi-experimenteel onderzoek is iets
zwakker in het aantonen van causale relaties dan volledig gerandomiseerde
ontwerpen.
Voordeel: Deze vorm biedt het vaak wel de mogelijkheid om
onderzoek uit te voeren in een natuurlijke omgeving, waardoor de
ecologische validiteit toeneemt.
Blokexperiment = Quasi-experimenteel met controlegroep.
Mills methode = controlegroepen (experimenteel: Als X, dan Y;
controle: Als -X, dan -Y) Het niet enkel aantonen van de hypothese,
maar ook het weerleggen van het tegenovergestelde.
Beschrijven wat een een binnenproefpersoon-, tussenproefpersoon- en een mixed-
design inhouden
o Tussenproefpersoon design = Proefpersonen worden toegewezen aan
slechts één experimentele conditie, wat resulteert in verschillende groepen
proefpersonen die met elkaar kunnen worden vergeleken. Experimenteel vs.
Controle.
o Binnenproefpersoon design = Alle proefpersonen blootgesteld aan alle
experimentele en controlecondities.
Nadeel: Een mogelijk probleem bij within subjects designs is het
optreden van volgorde-effecten. Om dit te voorkomen, kan in sommige
gevallen de volgorde van de condities worden gevarieerd. Dit
wordt counterbalancing genoemd.
o Mixed design = Combineert eigenschappen van zowel between als within-
subject designs. Er zijn vaak verschillende groepen en verschillende
tijdsopnames.
1
, Beschrijven welke manieren van experimentele controle er zijn om gedeeltelijk te
randomiseren.
o Matchen en homogeniseren
Matchen = Je maakt de proefpersonen ín de condities gelijk op
bepaalde kenmerken. Eerlijke verdeling van verschillen over groepen.
Precieze controle: Voor elke proefpersoon in de experimentele
groep wordt een bijpassende proefpersoon in de controlegroep
geplaatst met vergelijkbare kenmerken.
Globale controle: Verdelen van gelijke frequenties van
belangrijke kenmerken in zowel de experimentele als de
controlegroep. Dit is een meer algemene vorm van matchen,
zonder noodzakelijk exacte overeenkomsten tussen individuen
te bereiken.
Homogeniseren = Je maakt de hele steekproef gelijk door selectie.
De verschillen worden dan vooraf al geëlimineerd door een uniforme
groep te kiezen.
De bekendste algemene pre-experimentele designs benoemen
o Notaties in onderzoeksdesigns
O : observation: een waarneming of meting van de afhankelijke
variabele.
X : het ondergaan van de experimentele stimulus (treatment).
R : er is sprake van randomisatie.
NR : er is geen sprake van randomisatie
o One-shot casestudy = eerst de manipulatie wordt uitgevoerd en vervolgens
wordt het effect geobserveerd.
T1
X O1
o One-group pre-postdesign = Er is zowel voor als na de manipulatie een
observatie.
T1 T2
O1 X O2
o Pre-experimenteel posttest only = a-priori verschillen tussen groepen zijn
gladgestreken door randomisatie, waardoor verschillen op nameting wel zinvol
geïnterpreteerd kunnen worden. Door gebruik te maken van bestaande
groepen is het wel onwaarschijnlijk dat beide condities goed vergelijkbaar zijn.
Dat maakt het pre-experimenteel.
T1 T2
NR X O1
NR O2
2
, De bekendste algemene gerandomiseerde experimentele designs benoemen
o Posttest only control = Het eenvoudigste gerandomiseerde experimentele
ontwerp. Nadelen aan gebrek aan voormeting betreffen de missende
informatie over het startpunt en plafond- en bodemeffecten
T1 T2
R X O1
R O2
o Pretest-posttest controldesign = klassiek experimentele ontwerp, deze
wordt het meest gebruikt in psychologisch en onderwijskundig onderzoek.
Voor- en nameting met controlegroep. Proefpersonen worden willekeurig
toegewezen aan de experimentele en controlegroep. Bij beide groepen is er
sprake van een voor- en nameting.
T1 T2
R O1 X O2
R O3 O4
o Solomon viergroependesign = combinatie van posttest only en pretest-
posttest control. Bij de eerste groep een voormeting, waarna manipulatie en
nametig. Bij de tweede groep geen voormeting, maar wel manipulatie en
nameting. Bij de derde groep voor- en nameting, maar geen manipulatie. De
vierde groep is alleen nameting.
T1 T2
R O1 X O2
R X O3
R O4 O5
R O6
Voordelen:
Voormetingen van groep 1 en 3 om in te schatten wat de niet-
gemeten ‘voormeting’ van 2 en 4 zou kunnen zijn. Als deze
vergelijkbaar zijn, dan is randomisatie geslaagd en kan
aangenomen worden dat de schatting betrouwbaar is.
Deze schattingen kunnen worden gebruikt om de nameting te
evalueren. Testeffecten kunnen dan worden herkend of
uitgesloten.
Toetsen van voormetingsinteractie (pretest-treatment
interactie).
Risico’s:
Groep 2 kan worden beïnvloed door de manipulatie en factoren
die niet volledig gecontroleerd zijn in het experiment. Kunnen
de interne validiteit beïnvloeden. Het ontbreken van een
voormeting in groep 2 betekent dat er geen testeffect of
pretest-treatment-interactie is.
Groep 3 kan bedreigd worden door de voormeting en externe
factoren, maar worden niet bedreigd door treatment-effects of
pretest-treatment-interactie.
Groep 4 kan enkel worden beïnvloed door externe factoren.
3