Nask samenvatting 7.1 t/m 7.3
Paragraaf 1 krachten herkennen
Wanneer je een deur opent, oefen je kracht uit op de deur. Het symbool van kracht is een
hoofdletter F (staat voor het Engelse woord force).
Een kracht zorgt voor: Vervorming, een blijvende vervorming heet plastische vervorming en
een tijdelijke vervorming heet elastische vervorming. Verandering van de grootte van de
snelheid. Verandering van de richting van de snelheid.
Als je krachten in het kort noteert met de letter F, schrijf je er in het kort de soort kracht bij.
Zoals spierkracht: Fspier
Paragraaf 2 krachten meten en tekenen
Het effect van een kracht hangt af van drie eigenschappen:
1, de grootte; hoe groter de kracht, hoe groter het effect.
2, de richting; werkt de kracht naar links, rechts, voor, achter, boven of onder?
3, het aangrijpingspunt; dat is de plek waar de kracht werkt.
Je kan meten met een krachtmeter of veerunster hoe zwaar iets is. De eenheid van kracht is
newton, met als symbool de hoofdletter N.
Een kracht die wordt uitgeoefend op een voorwerp teken je als een pijl. Met een pijl kun je
de grootte, de richting en het aangrijpingspunt aangeven. De staart van de pijl begint bij het
aangrijpingspunt. De richting van de krachtpijl geeft aan in welke richting de kracht werkt. De
lengte van de krachtpijl geeft aan hoe groot de kracht is. (bij de pijl schrijf je de letter F). Als
de lengte van de pijl 5 cm is en de kracht 10N is, dan is de krachtenschaal 1cm komt overeen
met 2 N. wisselwerkingskrachten zijn krachten die de ene kracht op de andere kracht
uitoefent.
Paragraaf 3 zwaartekracht
De zwaartekracht is de aantrekkingskracht van de aarde op een voorwerp. De formule is Fz =
m x g met Fz de zwaartekracht in Newton. M de massa in kilogram. G gelijk aan 9,81
newton per kilogram. Bij een voorwerp dat bestaat uit een vaste stof, ga je ervan uit dat de
zwaartekracht aangrijpt in een soort ‘gemiddeld punt van voorwerp’. Dit punt heet het
zwaartepunt. Het zwaartepunt zit meestal in het midden van een voorwerp. De grootheid
gewicht is de kracht die een voorwerp op zijn ondergrond of ophangpunt uitoefent. Als je op
de vloer staat oefen je kracht uit op de vloer. Die kracht heet gewichtskracht.
Paragraaf 4 veerkracht
De wielen van een quad zijn geveerd op het onderstel, als een quad in een kuil rijdt veert hij
omhoog als hij in de kuil komt. De veren rekken uit en gaan daarna terug naar hun
oorspronkelijke staat= veerkracht. F=C x u is de formule voor het verband tussen veerkracht
en uitrekking. F= kracht in Newton, C is de veerconstante in newton per (centi)meter en u
staat voor de uitrekking in (centi)meter.
Filmpje:
https://www.youtube.com/watch?v=_yC0j7yD0D8
Paragraaf 1 krachten herkennen
Wanneer je een deur opent, oefen je kracht uit op de deur. Het symbool van kracht is een
hoofdletter F (staat voor het Engelse woord force).
Een kracht zorgt voor: Vervorming, een blijvende vervorming heet plastische vervorming en
een tijdelijke vervorming heet elastische vervorming. Verandering van de grootte van de
snelheid. Verandering van de richting van de snelheid.
Als je krachten in het kort noteert met de letter F, schrijf je er in het kort de soort kracht bij.
Zoals spierkracht: Fspier
Paragraaf 2 krachten meten en tekenen
Het effect van een kracht hangt af van drie eigenschappen:
1, de grootte; hoe groter de kracht, hoe groter het effect.
2, de richting; werkt de kracht naar links, rechts, voor, achter, boven of onder?
3, het aangrijpingspunt; dat is de plek waar de kracht werkt.
Je kan meten met een krachtmeter of veerunster hoe zwaar iets is. De eenheid van kracht is
newton, met als symbool de hoofdletter N.
Een kracht die wordt uitgeoefend op een voorwerp teken je als een pijl. Met een pijl kun je
de grootte, de richting en het aangrijpingspunt aangeven. De staart van de pijl begint bij het
aangrijpingspunt. De richting van de krachtpijl geeft aan in welke richting de kracht werkt. De
lengte van de krachtpijl geeft aan hoe groot de kracht is. (bij de pijl schrijf je de letter F). Als
de lengte van de pijl 5 cm is en de kracht 10N is, dan is de krachtenschaal 1cm komt overeen
met 2 N. wisselwerkingskrachten zijn krachten die de ene kracht op de andere kracht
uitoefent.
Paragraaf 3 zwaartekracht
De zwaartekracht is de aantrekkingskracht van de aarde op een voorwerp. De formule is Fz =
m x g met Fz de zwaartekracht in Newton. M de massa in kilogram. G gelijk aan 9,81
newton per kilogram. Bij een voorwerp dat bestaat uit een vaste stof, ga je ervan uit dat de
zwaartekracht aangrijpt in een soort ‘gemiddeld punt van voorwerp’. Dit punt heet het
zwaartepunt. Het zwaartepunt zit meestal in het midden van een voorwerp. De grootheid
gewicht is de kracht die een voorwerp op zijn ondergrond of ophangpunt uitoefent. Als je op
de vloer staat oefen je kracht uit op de vloer. Die kracht heet gewichtskracht.
Paragraaf 4 veerkracht
De wielen van een quad zijn geveerd op het onderstel, als een quad in een kuil rijdt veert hij
omhoog als hij in de kuil komt. De veren rekken uit en gaan daarna terug naar hun
oorspronkelijke staat= veerkracht. F=C x u is de formule voor het verband tussen veerkracht
en uitrekking. F= kracht in Newton, C is de veerconstante in newton per (centi)meter en u
staat voor de uitrekking in (centi)meter.
Filmpje:
https://www.youtube.com/watch?v=_yC0j7yD0D8