Hoofdstuk 1, De Parochieschool
Middeleeuwen: samenleving veranderen → behoefte aan onderwijs
8e eeuw: Het overbrengen van het christendom door Willibrord en Bonifatius kwamen er
kloosterscholen. Voor hogere jongens klassen
11e eeuw: onderwijs voor brede groepen toegankelijk. Kloosterscholoen groeide daarnast kwamen er
ook parochiescholen (parochie = (geloofs)gemeente). Was streng harde handhaaf
- latijn (taal van de kerk)
- godvrezende christenen zijn
- pastoor bijstaan zingen van de mis.
Scholen binnen stadsmuren, handel en nijverheid → behoefte voor ambachtslieden en handelaren aan
lezen, schrijven en rekenen → behoefte voor onderwijs groter.
De verstedelijkingen + de daarme gepaarde ambtenarij → onderwijs groeide in de samenlebing
in 14e en 15e eeuw, steden namen de parochiescholen over → Groote school. (voor stedelijke
burgerij, jongens + meisjes)
- Religieuze vorming
- Latijn
- Ook eigen taal, nederduits. (voor laagste klassen)
- Eerst lezen dan schrijven en daar rekenen
18e eeuw: school ook voor lagere standen.
Hoofdstuk 2, Erasmus
Het humanisme is een levensbeschouwing die uitgaat van de waardigheid van mensen en haar
inspiratie vindt in menselijke vermogens. Humanisten gaan ervan uit dat mensen zelf zin en vorm aan
hun leven geven. Zij willen de vrijheid hebben om op een manier te leven waar je zelf achterstaat.
(14e - 16e eeuw)
→ renaissance (wedergeboorte doormiddel geschriften klassieke oudheid)
Erasmus: humanist
Erasmus geloofde dat de mens van nature niet perfect of 'beschaafd' is. Hij vergeleek de mens met een
woeste wildernis die vol zit met potentieel, maar ook met chaos, onwetendheid en primitieve
instincten. Deze wildernis moet gecultiveerd worden, oftewel bewerkt en gevormd. Dit "cultiveren"
staat voor educatie, kennis en morele opvoeding. Het doel van deze opvoeding is om de mens te
veranderen in een harmonieus opgebouwde, bloeiende tuin: een goed ontwikkeld, beschaafd en
deugdzaam persoon. Het is een metafoor voor het idee dat educatie en zelfontplooiingessentieel zijn
om een mens tot volle bloei te laten komen.
Onderwijs:
- Leraar liefde voor het vak en liefde voor de leerlingen
- Aansprekende op kindgerichte onderwijsmethoden
- spel onderwijs
- van makkelijk naar moeilijker
- vergelijken van resultaten stimuleerde
1
,Boek: over goede manieren, Aengaende de beleefdheid der kinderlijke zeden.
→ doorbreken van het middeleeuwse fatalistisch (denken dat je geen invloed hebt op gebeurtenissen)
denken over opvoeding.
- Geest van kind flexibel
Hoofdstuk 3, Het Haneboek
Het haneboek was te lastig, door → de spelmethode (geen verband tussen de namen van de letters en
de klanken van het woord), Teksten waren te abstract en moeilijk die niet aansloten bij de
belevingswereld van de kinderen.
Jan Amos Comenius (1592-1670) ontwikkelde een essentieel didactisch inzicht.
- Visueel (combinatie beeld en woord)
Hierdoor werd klank en betekenis gecombineerd.
Eind 18e eeuw haneboek werd niet meer gebruikt. Door Middel van verlichting groeide aandacht voor
opvoeding en onderwijs. Spelendleren kwam en spelmethode werd → klankmethode
‘boek’ → ‘b’-’oe’-’k’.
J.H Niewold (1737-1812) stelde een leesmethode samen.
Hoofdstuk 7 Jacvobs Cats en hieronymus van alphen
Jacobs cats (1577-1660): sprak de (jong)volwassenen en opvoeders aan
- opvoeding was primaire taak van ouders, waarbij moeder belangrijke rol ibn eerste
levensjaren
- kind is als wit papier, kind is kneedbaar en buigzaam (erasmus) maar is bang dat mis gaat
want mens is tot het kwaad geneigd.
- Veroordeelde strenge lijfstraffen in onderwijs
- geloofde in spelenderwijs leren (Erasmus en Constantijn Huygens) voorkeur huisonderwijs
Hieronymus van Alphen (1746-1803) sprak de kinderen aan
- grondlegger kinderliteratuur (aansluiten belevingswereld kind en de opvoedkundige moraal in
die tijd)
- Beïnvloed door verlichting → van de humanistische drang dat de mens gevormd moest
worden en geperfectioneerd door middel van cultuur, opvoeding en beschaving om zijn volle
potentieel te bereiken. Het doel was om van het kind een beschaafde volwassene te maken.
Maakte plaats voor dat het kind van natuurlijke staat goed was en daardoor je dat moest
behouden.
- geloofde in de redelijkheid, het geweten en het schuldbesef van het kind zelf.
- Juiste begeleiding (geen boeman)
- Kerk, ouders en nu ook school de taak.
Hoofdstuk 13: achter een gordijn verborgen, onderwijs voor meisjes
In de vroegmoderne tijd werd basisonderwijs evenveel gevolgd door jongens en meisjes. De Latijnse
school (voorbereiding uni) was alleen voor jongens. Meisjes uit de elite hadden dan franse
meisjesscholen of privéleraar. Vakkenpakket was aangepast aan toekomst.
Door minister Thorbecke (1798-1872) werd het VO aangepast. Voor jongedames uit hogere kinderen
werd de middelbare meisjesschool (mms) opgericht, tegenhanger van hbs. Nadruk bij mms lag op
2
,handwerk en talen. Eerste geopend in 1867 → halve eeuw later waren er nog geen twintig mms.
Oorzaak?
- financiële problemen
- → maatschappij in beweging
Einde van 19e eeuw → behoefte van vrouwen om zich te ontwikkelen.
Aletta jacobs was een rolmodel.
Vanaf 1871; alle universiteiten, hbs en gymnasia opende voor alle vrouwen.
Vanaf 1910 werd het aantal vrouwen daar steeds meer.
Co-educatie werd norm (in vergelijking met andere landen).
Grote pedagogen in klein bestek Tom Kroon & Bas levering
Montaigne, Humanist die praktische, sceptishe (onderzoekende / twijfelende) en relativerende
levenshouding. Hij schrijft essays over alledaagse dingen. Hij is iemand van de renaissance omdat hij
klassieke schrijvers in zijn essays betrekt. Net als veel andere humanisten gelooft hij, dat de klassieke
wijsheid (de filosofie van de oude Grieken en Romeinen, rede en logica ipv mythes) en het
christendom goed samengaan. Hij vindt het belangrijk dat mensen zichzelf goed kennen en hun
verstand (rede) gebruiken. Hij was het niet eens met Plato en hij vond het best om je eigen landstaal
te kennen ipv Grieks of Latijn. Socrates bewonderde hij omdat hij ook bewust was van zijn
onwetendheid.
Motto: Wat weet ik, het enige wat zeker is, is dat er niets zeker is.
→ dit is een uiting van zijn scepticisme
Hij is erg geïnteresseerd in andere volken en culturen en vindt dat er veel verschillende gewoontes
zijn. Hij merkt op dat mensen vasthouden aan hun gewoontes en dat zelfs onze morele regels (de
wetten van het geweten) hieruit voortkomen.
Hij gelooft niet dat wat afwijkt van de norm automatisch onredelijk of onzinnig is, en vindt het gek
hoe vaak mensen dat wel denken. Kortom, hij is een cultuurrelativist: hij beoordeelt andere culturen
niet vanuit zijn eigen standaarden. Hij zegt wel niet in te gaan tegen de leer van de rooms-kahtolieke
kerk, dus daarin staat hij ver af van Kant. Maar dan heeft hij wel ‘ ik heb mijn eigen wetten en mijn
eigen rechtbank om over me te oordelen, Mijn handelen beperken doe ik wel in overeenstemming met
de normen van anderen. Montaigne gaat hier in tegen de kerk door te stellen dat hij een individueel
geweten heeft dat zijn eigen morele wetten en oordelen kan bepalen, onafhankelijk van de kerkelijke
autoriteit. Hij zegt niet dat hij tegen de kerk is, maar plaatst zichzelf wel boven de kerkelijke wetten
als het op zijn persoonlijke moraal aankomt. De kerk hanteerde in die tijd een absolute en universele
moraal, gebaseerd op goddelijke openbaring. De priester en de kerkelijke rechtbank waren de enigen
die konden oordelen over de moraliteit van het individu. Montaigne's uitspraak is een vroege vorm
van autonomie en subjectiviteit - hij stelt dat het individu de bron is van zijn eigen morele oordeel, in
plaats van de kerk. Dit is een gedachte die later in de filosofie van de Verlichting, en dus ook bij Kant,
centraal zou komen te staan.
Drie essays over opvoeding Montaigne
- Over betwerterij
Hij bekritiseert een verharde en autoritaire vorm van onderwijs. Hij is tegen een didactiek die
kinderen aanleert om na te praten wat anderen (autoritaire) mensen zeggen.
- De opvoeding van kinderen
Montaigne heeft over opvoeding een onconvetionele (hippe) mening. Zegt wel geen verstand
ervan te hebben, geeft wel moderne adviezen. Je moet volgens hem rekening houen met de
3
, talenten van het kind, hierdoor verspeel je geen tijd. We moeten niet te veel waarde hechten
aan aannamens en voorspellingen die we maken over iemands toekomst, enkel en alleen
gebaseerd op hoe diegene zich gedroeg toen hij of zij jong was. → Dus oordeel niet te snel
over iemands toekomst, want mensen kunnen veranderen.
Heeft oog voor individualiteit en de onvoorspelbaarheid van het ontwikkelingsverloop.
- Der genegenheid van vaders voor hun kinderen.
Opvoeding: → Kind zelf laten ervaren en zelf laten kiezen en onderscheiden. Onderwijs zorgt niet
alleen ervoor dat hij het kan navertellen maar ook kunnen beoordelen wat het kind heeft gedaan.
Gedrag en opvattingen van kind zijn belangrijk.
Onderwijsmethode: → milde strengheid, toegeeflijkheid, nuttig moet ook plezier brengen. Spel en
lichamelijke opvoeding.
Omgang met anderen: → kind moet bescheiden en mond kunnen houden, spaarzaam en terughoudend
met kennis. Braafheid en geweten worden verteld via taal en komt voor uit de rede
Weijers (2013) het schoolkind
De geschiedschrijving (de gescrheven interpretatie van het verleden) van opvoeding en moderniteit
begint met de gedachte van mondigheid en de humanisten, in het bijzonder Montaigne, maar voor
een juist perspectief moet verder worden teruggegaan naar de klassieken.
I. Klassieke Oudheid: De Basis van de Paideia
De school behoort tot de oudste menselijke creaties (meer dan 5000 jaar geleden in Ur, Mesopotamië),
waar onderwijs voor een kleine elite algemene vorming en beroepsopleiding combineerde. Paideia
was het aanknopingspunt voor de humanisten toen zij hun ideen begonnen te ontwikkelen over
opvoeding en onderwijs.
Bij de Grieken kreeg opvoeding voor het eerst een zelfstandige, systematische plaats.
Paideia (opvoeding) is een alomvattend ideaal van culturele en intellectuele vorming. Het omvatte
een breed scala aan vakken, zoals gymnastiek, literatuur, retorica en filosofie, en was gericht op het
vormen van een 'compleet mens' met karakter en uitstekende kennis, met als doel om welwillende
burgers te vormen. Opvoedings was niet langer iets natuurlijks maar kreeg het karakter van
wetenschap.
Er was geen beroepsopleiding voor bijvoorbeeld boer. De Paideia was in de kern gericht op de
vorming van de mens tot een deugdzaam staatsburger die in staat was de juiste beslissingen te nemen
voor het algemeen belang.
Noodzaak van Scholing: Deze rol in de politiek en de rechtspraak werd niet als een eenvoudig
'beroep' gezien dat je zomaar oppikte. Het vereiste retorische vaardigheden (goed kunnen spreken en
overtuigen) en intellectueel inzicht in de wetten en de filosofie.
→ dit verklaard de opkomst van de sofisten
De Sofisten en het Leerplan
Na de opkomst van Athene ontstond er behoefte aan een uitgewerkt leerplan. De sofisten stelden een
leerplan op voor de deugdzame politieke mens, dat sindsdien steeds terugkeert in de westerse
onderwijsgeschiedenis:
Eerst kwam de
4