Activiteiten
De student gaat als logopedist in gesprek met de leerkracht van één van onderstaande
casussen. Deze zijn in het onderwijs behandeld. De student krijgt vooraf te horen over
welke casus en welk gespreksonderwerp de leerkracht in gesprek wil gaan. Het gesprek
wordt gericht op samenwerking rondom dit onderwerp.
leerling met spraak-taalontwikkelingsstoornis in combinatie met
problemen in de beginnende geletterdheid in groep 2 van het reguliere
basisonderwijs (Guido)
oudere leerling (vanaf 8 jaar) met een taalontwikkelingsstoornis in
het cluster-2 onderwijs (Stan)
slechthorende leerling met CI in cluster 2 onderwijs (Vanessa)
leerling met een taalontwikkelingsstoornis en problemen in het
aanvankelijk leren lezen in groep 3 van het speciaal basis onderwijs
(Ashvin)
In het gesprek wordt samen gezocht naar de best passende gezamenlijke aanpak bij de
casus en worden heldere afspraken gemaakt. De student laat zien dat zij inzicht heeft in
de casus, klinisch kan redeneren en de inhoudelijk logopedische keuzes kan
onderbouwen. De student laat zien over de communicatieve vaardigheden te beschikken
om tot interdisciplinaire samenwerking te komen.
De leerkracht is reeds op de hoogte van testuitslagen en diagnose(s). Die hoeven dus niet
uitgebreid uitgelegd te worden. Het kan wel zijn dat er informatie uit de diagnose en de
onderzoeken besproken wordt, als dat aansluit bij het gespreksonderwerp. Je moet dan
bijvoorbeeld gegevens uit de onderzoeken kunnen koppelen aan de problemen in
activiteiten en participatie, of iets uit de onderzoeken uitleggen aan de leerkracht.
In dit gesprek worden de rollen logopedist en samenwerker getoetst. Aansluitend volgt
een kort gesprek waarin de student reflecteert op het gesprek en wordt de professional
getoetst.
De prestatie van de student wordt beoordeeld door twee docenten. Eén docent neemt de
rol van leerkracht op zich.
, CASUS GUIDO: SPRAAKPROBLEMEN (BEETJE TAALBEGRIP)
Vraag van juf Tineke:
‘’Toen je me belde voor informatie over Guido, gaf ik al aan dat hij het moeilijk vindt om
mee te doen met activiteiten met klanken en letters, zowel klassikaal als in de
zelfstandige werkjes. Hoe kan ik hem beter betrekken bij dit onderwijs, en hoe kan ik
aansluiten op zijn niveau. En hoe leer ik hem objectiveren. Dat zou makkelijker voor mij
maken om de opdrachten uit te leggen. ‘’
1) Betrekken bij onderwijs
2) Aansluiten op zijn niveau
3) Leren objectiveren
De voorschotbenadering. (kent u dat?) . Het is bedoeld voor kinderen die moeilijk letters
leren en moeilijk tot foneembewustzijn komen in groep 2. Inzicht in het alfabetisch
principe, letters leren en fonemisch bewustzijn, invented spelling (het begin van het leren
schrijven) en synthese. (volwassene zegt losse letters en kind moet daar een woord van
maken.)
Letters van de week, lettertafel (in thema’s werken)
Objectiveren =
Eerst het fonologisch bewustzijn = rijmen, klappen op de lettergrepen.
Dan werken aan het foneembewustzijn. Aangeleerde vaardigheid over het
bewustzijn dat een woord bestaat uit lettergrepen. Beginrijm, analyse, synthese
en klank-tekenkoppeling. (dat is het herkennen en benoemen van letters)
(rijmen, hakken en plakken en herkennen van letters en benoemen)
Interesse over klank-teken koppeling is niet groot. >
Verschil en uitleg over fonologisch bewustzijn en foneembewustzijn.
Maan-haan rijmwoorden. Met de kinderen van groep 1 bij betrekken.
Als je verder wilt naar de voorschotbenadering en we werken aan het
foneembewustzijn moeten we tussendoor ook werken aan de woordenschat.
Want als hij van een set klanken een heel woord wilt maken, moet hij wel dat
woord kennen.
Waar liggen zijn interesses lego en blokken in de activiteiten verstoppen.
spelletjes op de computer. Logo naar laten kijken en vaker informatie uitwisselen.