5.2 Algemene inleiding
5.2.1 Inleiding
De afdelingen 3.11 e.v. art 3.144 Wet IB zijn de algemene bepalingen voor onderdelen van
het box 1-inkomen.
5.2.2. Waardering van niet in geld genoten inkomen
Beloning in natura : (art.3144 Wet IB) geeft aan hoe beloning in natura moeten worden
gewaardeerd voor het bepalen van het inkomen in box 1.
Uitgangspunt: de waarde van het betreffende inkomensbestanddeel in het economische
verkeer. In bepaalde gevallen mag worden uitgegaan van het bedrag dat hij zich bespaart
(besparingswaarde).
5.2.2. Tijdstip waarop inkomsten worden belast
Het uitgangspunt in box 1 is dat: inkomsten worden belast in het jaar waarin zij worden
genoten (ontvangen contant of bijgeschreven op de bankrek). Het moment waarop het
inkomen moet worden verantwoord, is vastgelegd in (art. 3.146 Wet IB)
Loon, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, etc., alsmede de voordelen uit eigen
woning en de negatieve uitgaven voor inkomstenvoorzieningen, worden – voor zover
niet anders is bepaald – geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij:
a) Ontvangen zijn (contant of bijgeschreven)
b) Verrekend zijn (inkomen wordt verrekend met een nog openstaande schuld)
c) Ter beschikking zijn gesteld (het inkomen ligt klaar, maar is nog niet ontvangen)
d) Rentedragend zijn geworden
e) Vorderbaar en inbaar zijn (het geld kan juridisch gezien worden opgevraagd en ook
met succes worden geïnd)
5.2.2. Tijdstip waarop aftrekbare kosten of uitgaven voor inkomensvoorziening in
aftrek mogen worden gebracht
Art. 3.147 Wet IB bepaalt dat aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorziening voor
aftrek in aanmerking komen op het tijdstip waarop zij:
a) Zijn betaald (contant dan wel via de bankrek)
b) Zijn verrekend (het bedrag is verrekend met een vordering van de belastingplichtige)
c) Ter beschikking zijn gesteld (het geld is afgegeven, maar nog niet door de andere
partij in ontvangst genomen)
d) Rentedragend zijn geworden (er moet rente worden betaald i.v.m. het te laat doen
van het bedrag)
Art. 3.1 lid 2 beschrijft dat inkomen uit werk en woning het gezamenlijke bedrag is van:
de belastbare winst uit onderneming De negatieve utigv. Voor inkomensvoorz.
het belastbare loon De negatieve persoongeb. Aftrek
het belastbare resultaat uit overige werkzh Af: Te verrekenen verliezen
Belastbare periodieke uitkerin en verstrekk.
het belastbare inkomen uit eigen woning
,5.2 Belastbaar loon
(art. 3.80 Wet IB) Belastbaar loon:
Loon ( inclusief fooien etc.) Minus Reisaftrek = Belastbaar loon
5.3.2 Loon
Loon (art. 3.81 Wet IB) verwijst naar de Wet LB.
In wet LB wordt niet alleen het inkomen uit een bestaande dienstbetrekking als te
belasten loon aangemerkt, maar ook inkomen uit een vroegere dienstbetrekking en ook
een uitkering van de AOW of WIA wordt als loon aangemerkt - Fooien ook onderdeel van
loonbegrip
5.3.3 Fooien
Fooien in beginsel vrijgesteld van de heffing van loonbelasting, tenzij:
Bij vaststellen fooien al rekening is gehouden met het ontvangen van Fooien
De zogenaamde fooienregeling van toepassing is (Art. 12 Wet LB en art 3.6 Uitv. Reg.
LB)
Men moet zelf zijn fooi opnemen in zijn aangifte inkomstenbelasting (Art. 3.81 Wet IB)
Heeft werknemer minder loon gekregen dan aangegeven, het verschil aangeven als negatief
loon
5.3.4 Reisaftrek
(Art 3.87 Wet IB) Alleen in aanmerking, als aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:
Hij reist per openbaar vervoer naar zijn werk
De afstand van een enkele reis bedraagt meer dan 10 km
Er wordt in principe minimaal eenmaal per week tussen woon en werk
plaats gereisd
Hij beschikt over een zogenoemde “openbaarvervoerverklaring” dan wel
“reisverklaring. (art. 16 Uitv.reg IB)
Minimaal 1 keer per week heen en weer reizen (3.87 lid 8 Wet IB)
Het bedrag dat in aftrek kan worden gebracht, is afhankelijk van (art. 3.87 lid 4 Wet IB):
Aantal dagen dat gereisd wordt
Reisafstand enkele reis (alleen dat deel dat ov is)
Tabel geldt bij reizen op 4 of meer dagen per week
Minder dan 4 dagen (lid 5): t/m 90 km: 1 dag: ¼, 2 dagen: ½, 3 dagen: ¾
Ontvangen vergoeding van werkgever komt in mindering op reisaftrek (lid 3)
Als belastingplichtige gedurende minder dan 4 dagen per week heen en weer reist en de
enkelafstand meer bedraagt dan 90 kilometer, moet de reisaftrek als volgt worden berekend
(Art. 3.87 lid 5 Wet IB)
- Aantal dagen dat in betreffende jaar wordt gereisd x aantal kilometers x 0,28 - Kan nooit
meer bedragen dan € 2.587 zijn.
, 5.4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Resultaat uit overige werkzaamheden (art. 3.90 Wet IB) : wanneer ze niet kunnen worden
belast als belastbare winst uit onderneming of belastbaar loon
- Niet verplicht dat de belastingplichtige fysiek noemenswaardige arbeid verricht
- Zuivere beleggingsresultaten worden niet in de heffing betrokken, was het te behalen
voordeel vooraf te voorzien. Behaalde opbrengst belast als resultaat uit overige
werkzaamheden (Art. 3.91 lid 1 letter c Wet IB)
Freelanceactiviteiten belast als resultaat uit overige werkzaamheden
- Geldt alleen als er geen sprake is van dienstbetrekking
- Geen sprake zijn van fictieve dienstbetrekking (Art. 4 letter F wet LB)
Resultaat uit overige werkzaamheden
- Een vergoeding van een lezing
- Vergoedingen van leden van de Eerste Kamer, Tweede Kamer of de
gemeenschappelijke raad - Beloningen voor auteurswerkzaamheden
- Vergoedingen voor het verzorgen van belastingaangiften voor derden
- Vergoeding van verzorgen van bijlessen
- Opbrengsten uit het rendabel maken van vermogen (voorkennis)
- Vergoedingen voor het zich borgstellen voor schulden (mag niet gaan om schulden
van een gewone particulier)
5.4.2 Terbeschikkingstelling aan de onderneming van een verbonden persoon
- Draait niet alleen om de inkomsten van verhuur van een pand maar ook om de
inkomsten van een andere vermogensbestanddelen die aan de onderneming van een
verbonden persoon ter beschikking wordt gesteld (Art. 3.91 lid 1 letter A Wet IB)
- Een ondernemer kan echter geen vermogen ter beschikking stellen aan zijn eigen
onderneming. Er is geen sprake van ter beschikkingstellen als de ondernemer en
echtgenote onder gemeenschap van goederen zijn getrouwd. (Valt onder verplicht
ondernemingsvermogen)
Verbonden persoon (Art 3.91 lid 2 onderdelen b en c Wet IB)
- De (fiscale) partner van een belastingplichtige
- De minderjarige kinderen van de belastingplichtige of zijn (fiscale) partner
Volgende worden opgemerkt:
- Als belastingplichtige minderjarig is, worden ook zijn (schoon)ouders en hun (fiscale)
partners aangemerkt als verbonden personen. (art. 3.91 lid 2 letter c wet IB) (Saldo
wordt toegerekend aan ouders (Art. 2.15 Wet IB)
- Als de verbonden persoon samenwerkt met iemand anders, wordt het totale resultaat
belast als resultaat uit overige werkzaamheden. (art. 3.91 lid 1 letter b Wet IB)
- Ook ter beschikking stellen van vermogen door een (Groot)ouder aan een
meerderjarig kind, kan belast worden als belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden. KAN ALLEEN ALS ER SPRAKE IS VAN EEN ONGEBRUIKELIJKE
TERBESCHIKKINGSTELLING. Geldt overigens ook in omgekeerde situatie. (art.
3.91 lid 3 Wet IB)