Begrippenlijst leefwereld van het kind
Semester 1
adoptiegezin Een gezin waarin de leden flexibel kunnen meebewegen met veranderingen
(zoals nieuwe rollen, omstandigheden) en zich samen aanpassen om goed
te blijven functioneren.
beeldende ontwikkeling Het proces waarin kinderen leren om zich creatief en visueel uit te drukken.
beeldtaal Het communiceren met beelden - vormen, kleuren, symbolen - in plaats van
woorden.
belevingswereld De manier waarop iemand de wereld om zich heen ervaart.
betrokkenheid De mate waarin iemand actief geïnteresseerd, gemotiveerd en emotioneel
betrokken is bij een activiteit.
betrokkenheid signalen Merkbare gedragingen die laten zien dat iemand echt geïnteresseerd en
actief bezig is.
betrokkenheidsverhogende Omstandigheden of elementen die ervoor zorgen dat iemand interesse,
factoren focus en motivatie krijgt om actief mee te doen.
brede en diverse Verwijst naar het geheel van kenmerken, ervaringen en behoeften waarmee
beginsituatie verschillende kinderen starten - achtergrond, niveau, interesses - waardoor
de groep veel variatie toont.
breed kijken en observeren Aandachtig en zonder vooroordelen alle aspecten van een situatie of
persoon gaan bekijken, zodat je een volledig genuanceerd beeld krijgt.
concreet-operationele De ontwikkelingsfase (7 - 11 jaar) waarin kinderen logisch kunnen nadenken
periode over concrete, tastbare situaties, maar nog moeite hebben met abstract
denken.
context De omgeving, situatie of achtergrond waarin iets gebeurt, die helpt om
betekenis of begrip te geven.
cognitieve ontwikkeling De groei van denkvaardigheden, zoals waarnemen, begrijpen, onthouden,
redeneren en probleem oplossen.
conventionele fase De ontwikkelingsfase waarin kinderen of jongeren gedrag vooral afstemmen
op sociale regels, normen en verwachtingen van anderen.
culturele achtergrond De verzameling van gewoonten, waarden, tradities die iemand meeneemt
vanuit zijn gezin, gemeenschap of samenleving.
divers lerarenkorps Een team van docenten met verschillende achtergronden, ervaringen,
perspectieven waardoor leerlingen breed geïnspireerd en vertegenwoordigd
worden.
diversiteit De aanwezigheid van verschillen tussen mensen. (cultuur, achtergrond,
geslacht, leeftijd, …)
eenoudergezin Een gezin waarin één ouder zorgt voor de opvoeding en het onderhoud van
het kind.
, eerste indruk De directe, vaak intuïtieve beoordeling die iemand vormt bij de eerste
ontmoeting met een persoon.
eerste strekking
etnische achtergrond De afkomst van iemand op basis van culturele, historische en soms
taalkundige kenmerken die een bepaalde bevolkingsgroep kenmerken.
formeel-operationele fase De ontwikkelingsfase (vanaf 12 jaar) waarin jongeren abstract, logisch en
hypothetisch kunnen nadenken, los van concrete situaties.
fysieke en lichamelijke De groei en verandering van het lichaam - lengte, gewicht, motorische
ontwikkeling vaardigheden - en lichamelijke functies.
Gal’Perin Psycholoog die verwijst naar de theorie van Vygotsky over geleide
handelingen. Waarbij kinderen nieuwe vaardigheden ontwikkelen door stap
voor stap begeleiding.
gecodeerde werkelijkheid De manier waarop informatie, ideeën of ervaringen worden weergegeven of
verwerkt via symbolen, taal of beelden.
gedecentreerd denken Het vermogen om bij een situatie meerdere aspecten of perspectieven
tegelijk te zien.
geheugencapaciteit De hoeveelheid informatie die iemand kan opnemen, vasthouden en later
weer terughalen.
genitale fase De laatste ontwikkelingsfase (vanaf 12 jaar) waarin seksuele gevoelens zich
richten op anderen buiten het gezin en volwassenen relaties centraal komen
te staan.
gestructureerde observatie Een manier van observeren waarbij van tevoren duidelijk is wat je gaat
bekijken.
halo-effect De positieve kenmerken van iemand.
horn-effect De negatieve kenmerken van iemand.
holebigezin Een gezin waarin één of beide ouders zich identificeren als homo, bi of
transgender.
identiteitsontwikkeling Het proces waarin iemand een eigen gevoel van wie hij/zij is vormt.
kernconflict Het centrale innerlijke probleem of spanningsveld dat iemand belemmert in
gedrag, emoties of relaties.
kopvoeter Kinderen die mannetjes tekenen met een banaal hoofd en lichaam.
kringloop van armoede Het patroon waarbij armoede van de ene generatie op de volgende wordt
doorgegeven, doordat beperkte middelen en kansen leiden tot blijvende
sociale en economische achterstand.
kubistisch tekenen Een manier van tekenen waarbij vormen en objecten worden weergegeven
met geometrische vlakken en hoeken.
Semester 1
adoptiegezin Een gezin waarin de leden flexibel kunnen meebewegen met veranderingen
(zoals nieuwe rollen, omstandigheden) en zich samen aanpassen om goed
te blijven functioneren.
beeldende ontwikkeling Het proces waarin kinderen leren om zich creatief en visueel uit te drukken.
beeldtaal Het communiceren met beelden - vormen, kleuren, symbolen - in plaats van
woorden.
belevingswereld De manier waarop iemand de wereld om zich heen ervaart.
betrokkenheid De mate waarin iemand actief geïnteresseerd, gemotiveerd en emotioneel
betrokken is bij een activiteit.
betrokkenheid signalen Merkbare gedragingen die laten zien dat iemand echt geïnteresseerd en
actief bezig is.
betrokkenheidsverhogende Omstandigheden of elementen die ervoor zorgen dat iemand interesse,
factoren focus en motivatie krijgt om actief mee te doen.
brede en diverse Verwijst naar het geheel van kenmerken, ervaringen en behoeften waarmee
beginsituatie verschillende kinderen starten - achtergrond, niveau, interesses - waardoor
de groep veel variatie toont.
breed kijken en observeren Aandachtig en zonder vooroordelen alle aspecten van een situatie of
persoon gaan bekijken, zodat je een volledig genuanceerd beeld krijgt.
concreet-operationele De ontwikkelingsfase (7 - 11 jaar) waarin kinderen logisch kunnen nadenken
periode over concrete, tastbare situaties, maar nog moeite hebben met abstract
denken.
context De omgeving, situatie of achtergrond waarin iets gebeurt, die helpt om
betekenis of begrip te geven.
cognitieve ontwikkeling De groei van denkvaardigheden, zoals waarnemen, begrijpen, onthouden,
redeneren en probleem oplossen.
conventionele fase De ontwikkelingsfase waarin kinderen of jongeren gedrag vooral afstemmen
op sociale regels, normen en verwachtingen van anderen.
culturele achtergrond De verzameling van gewoonten, waarden, tradities die iemand meeneemt
vanuit zijn gezin, gemeenschap of samenleving.
divers lerarenkorps Een team van docenten met verschillende achtergronden, ervaringen,
perspectieven waardoor leerlingen breed geïnspireerd en vertegenwoordigd
worden.
diversiteit De aanwezigheid van verschillen tussen mensen. (cultuur, achtergrond,
geslacht, leeftijd, …)
eenoudergezin Een gezin waarin één ouder zorgt voor de opvoeding en het onderhoud van
het kind.
, eerste indruk De directe, vaak intuïtieve beoordeling die iemand vormt bij de eerste
ontmoeting met een persoon.
eerste strekking
etnische achtergrond De afkomst van iemand op basis van culturele, historische en soms
taalkundige kenmerken die een bepaalde bevolkingsgroep kenmerken.
formeel-operationele fase De ontwikkelingsfase (vanaf 12 jaar) waarin jongeren abstract, logisch en
hypothetisch kunnen nadenken, los van concrete situaties.
fysieke en lichamelijke De groei en verandering van het lichaam - lengte, gewicht, motorische
ontwikkeling vaardigheden - en lichamelijke functies.
Gal’Perin Psycholoog die verwijst naar de theorie van Vygotsky over geleide
handelingen. Waarbij kinderen nieuwe vaardigheden ontwikkelen door stap
voor stap begeleiding.
gecodeerde werkelijkheid De manier waarop informatie, ideeën of ervaringen worden weergegeven of
verwerkt via symbolen, taal of beelden.
gedecentreerd denken Het vermogen om bij een situatie meerdere aspecten of perspectieven
tegelijk te zien.
geheugencapaciteit De hoeveelheid informatie die iemand kan opnemen, vasthouden en later
weer terughalen.
genitale fase De laatste ontwikkelingsfase (vanaf 12 jaar) waarin seksuele gevoelens zich
richten op anderen buiten het gezin en volwassenen relaties centraal komen
te staan.
gestructureerde observatie Een manier van observeren waarbij van tevoren duidelijk is wat je gaat
bekijken.
halo-effect De positieve kenmerken van iemand.
horn-effect De negatieve kenmerken van iemand.
holebigezin Een gezin waarin één of beide ouders zich identificeren als homo, bi of
transgender.
identiteitsontwikkeling Het proces waarin iemand een eigen gevoel van wie hij/zij is vormt.
kernconflict Het centrale innerlijke probleem of spanningsveld dat iemand belemmert in
gedrag, emoties of relaties.
kopvoeter Kinderen die mannetjes tekenen met een banaal hoofd en lichaam.
kringloop van armoede Het patroon waarbij armoede van de ene generatie op de volgende wordt
doorgegeven, doordat beperkte middelen en kansen leiden tot blijvende
sociale en economische achterstand.
kubistisch tekenen Een manier van tekenen waarbij vormen en objecten worden weergegeven
met geometrische vlakken en hoeken.