HOOFSTUK 1
Sociologie: Wetenschap die inzicht geeft in de samenhang tussen sociale processen
Sociaal process: Collectieve uitkomst van handelende individuen
Sociale processen zijn relatief autonoom:
– relatief autonoom: want vaak onbedoeld, ongepland
– relatief autonoom: staan niet los van individuen
De sociologische zienswijze: mensen zijn door en door sociaal
Mensen zijn afhankelijk van andere mensen voor hun voortbestaan
Sociologen als betweters en mythe-jagers
Waarom is sociologische kennis beter dan lekenkennis:
– Gebaseerd op theorie
– Resultaat van systematische gegevensverzameling
– Vanuit afstandelijk-kritische houding verworven
Zijn 19e eeuwse gedachten nog relevant voor ons?
1. Karl Marx
vraagstuk van sociale ongelijkheid = verschillen in macht tussen mensen en daarmee
verbonden voordelen. Marx wild dat arbeiders en bazen gelijk zijn.
macht = vermogen andermans gedrag te beinvloeden door sancties (denk: machtsbalans)
2. Emile Durkheim
vraagstuk van sociale cohesie = positieve gevoelens en steun. Mate waarin je je
verbonden voelt met anderen. (zelfmoord onderzoek, hoe minder mensen om je
heen hoe eerder zelfmoord)
3. Max Weber:
vraagstuk van rationalisering = proces waarin mensen steeds meer zaken berekenen
en beredeneren
Basisbegrippen:
1. Sociale interacties: mensen reageren voortdurend op elkaar (groepen en individuen)
– Direct= fysiek en indirect=bijv via telefoon
– Sociaal handelen = handelen gericht op het gedrag van andere mensen (Weber,
1922)
2. Interdependenties: onderlinge afhankelijkheden (van kennis, emoties, economisch=geld)
3. Sociale relatie: 1) patroon van interacties of 2) aard van de interdependentie tussen mensen
4. Sociale structuur: een samenhangend geheel van relatief duurzame sociale relaties of
processen
5. Cultuur: een samenhangend geheel van symbolen, ideeën en gedragspatronen die betekenis
geven. Bijvoorbeeld een kruis in de kerk.
6. Samenleving: grootste eenheid waar je deel van uit kunt maken
network: geheel van sociale relaties die je onderhoudt
sociale categorie: mensen die behoren tot een categorie omdat ze wat gemeenschappelijks
hebben maar hoeven elkaar niet te kennen.
Groep: mensen kennen en herkennen elkaar.
Hoofdrollen van sociologen:
- Het zijn onderzoekers (data verzamelen)
- Theoretici: ze willen een diepere betekenis van wat er allemaal gebeurt.
- Critici: dingen zijn niet zoals ze lijken
- Leraar
- Kunstenaars
- Dialogists: zorgen voor discussies zodat onderwerpen onder de aandacht komen
, - De kritische burger in de samenleving: meest belangrijke rol.
Sociologie helpt mensen met anders denken dan de standaard en helpen de link leggen tussen privé
problemen van mensen en de publieke problemen van culturen. Helpt ze met het maken van sociale
relaties en kunnen laten zien wat er om de mens heen gebeurd.
Sociologie kan kritische en sociaal bewuste burgers maken die besluiten kunnen nemen op basis van
kennis.
Durkheim
Le suicide, etude de sociologie
Zelfdoding is een sociaal fenomeen gerelateerd aan de mate waarin je lid ben van een groep.
- Ananomische zelfdoding: hoort bij een lage sociale integratie.
Hoort bij economische veranderingen (crisis). Anomie: er worden allerlei dingen verwacht
van mensen en dit leidt tot teleurstellingen
- Egoïstische zelfdoding: hoort bij een lage sociale integratie
verschillen tussen katholieken en protestanten. Protestanten horen ook bij een groep maar
hierbij staat het individu meer centraal. Er is een sociale druk om meer zelfstandig te doen.
- Altruïstische zelfdoding: hoort bij een hoge sociale integratie
mensen die zich op willen offeren voor de groep
- Fatalistische zelfdoding: hoort bij een hoge sociale integratie
vrouwen staan onder druk en kunnen geen kant op plegen zelfmoord. In China omdat daar
een mannen cultuur is, zij zijn vrij, vrouwen niet.
Voordelen van een sociologische kijk:
- Het wordt een manier van denken waardoor we onszelf en anderen beter begrijpen.
- Het helpt ons om de kansen en de beperkingen van ons leven in te zien.
- Het helpt ons om een actieve deelnemer in de samenleving te zijn.
- Het helpt ons om menselijke verschillen te herkennen en te confronteren met het leven in
een andere wereld.
Nadelen:
- Sociologie is een deel van een veranderende wereld. Iedere keer verandert het
- Sociologen zijn een onderdeel van wat ze studeren, dit maakt het moeilijk
- Sociologische kennis wordt een deel van de samenleving.
Positivism: wetenschappers zetten zich af tegen filosofen.
Kenmerken:
- Empirisisme: ga opzoek naar waarneembare feiten
- Scientific: baseren op wetenschappelijke kennis
- Universalism: wetten en patronen die overal en altijd geldig zijn
- Individualisme: afzetten tegen traditionele autoriteit
- Vooruitgang: wetenschap moet zich blijven vernieuwen.
Veranderingen in de samenleving:
1. Nieuwe industriële economie: groei van het moderne kapitalisme (einde 18e eeuw)
Marx: samenleving verandert door opkomst van industrie en kapitaal
2. Groei van steden
Durkheim: hoe kunnen mensen in grote steden integreren
3. Politieke verandering: controle en democratie
Weber: bekijkt de toenemende macht
4. Verlies van Gemeinschaft
Tönnies
Gemeinschaft: groep met gedeelde identiteit
Gesellschaft: onpersoonlijk en veel zelf- interesse. Individu dat onderdeel uit maakt van
wisselende groepen.
, Sociologie verandert:
- Nieuwe onderwerpen.
- Nieuwe methodes
HOOFDSTUK 2
Theorie: hoe en waarom factoren iets met elkaar te maken hebben.
Theoretisch perspectief: een beeld dat denken en onderzoek begeleidt.
Perspectieven bij sociaal denken:
1. Functionalistisch perspectief : elk sociaal systeem bestaat uit subsystemen die een functie
hebben voor het geheel.
* sociale structuur: samenleving zien als iets groots
* sociale functies: de gevolgen van de werking van de samenleving.
- Spencer: als je mensen voldoende laat concurreren wordt de samenleving beter. Survival of
the fittest.
- Durkheim: sociale solidariteit
- Parsons: elk verschijnsel heeft een functie. Elke samenleving moet voldoen aan:
1. Adaption 2.integration 3.goal attainment 4.latency (besef dat je deel uit maakt van de
samenleving
- Merton:
* dysfunction: iets wat nadelig is voor de samenleving
* manifest functions: de herkende en bedoelde gevolgen van ieder sociaal patroon
* latent functions: de gevolgen die niet herkend en bedoeld zijn
* social dysfunctions: de gevolgen van een sociaal patroon die ongewenst zijn voor de
werking van de samenleving.
* self-fulfilling prophecy: er is een bepaald beeld van een groep en deze groep gaat hier dan
naar handelen.
2. Conflict Perspectief: theorie dat de samenleving ziet als een gebied van verschillen en
ongelijkheden dat leidt tot conflicten. Mensen strijden met elkaar.
* Dominantie en macht
* Benadeling
* exploitation: ellende van de een zorgt voor rijkdom van de ander
- Marx: strijd om productiemiddelen
- Weber: strijd om posities en status op de arbeidsmarkt
- Bordieu: cultureel kapitaal: Voordeel van kennis (bijvoorbeeld opleiding)
3. (inter)Action: interpretative perspective: sociologie van het dagelijks leven. Dit is een micro-
level orientation: een focus op de betekenis van sociale interacties in specifieke situaties.
macro-level orientation: focus op brede sociale structuren die de samenleving als een geheel
ziet. (kijkt naar het grote geheel)
Symbolic interactionism: theorie die de samenleving ziet als het resultaat van de dagelijks
contacten tussen mensen.
* symbolische interactie: mensen wisselen voortdurend betekenissen uit die niet tastbaar
zijn.
* the self: datgene wat betekenis heeft
* social Construction: mensen creëren hun eigen werkelijkheid, betekenissen veranderen
* Thomas rule: als mensen wat denken, dan is/wordt dat ook zo.
- Weber: Verstehen: begrijpen wat mensen bezield en motiveert
- Mead: heeft het begrip the self ontwikkeld
- Goffman: betekenisgeving in situaties
4. (inter)Action: rational actor perspective: de neiging van mensen om uit te wisselen. Elk
verschijnsel moet te verklaren zijn uit dat mensen het maximale uit uitwisselingen willen
halen. Focus: de samenleving is gevormd door besluiten van mensen die maximaal resultaat
willen behalen.