Samenvatting statistiek
3 typen bewijs:
1. Anekdotisch = er is in 1 geval geobserveerd.
2. Observationeel = er is over een grotere groep geobserveerd.
3. Experimenteel = in een gecontroleerde conditie een bepaalde verandering
doorvoeren om te kijken wat er dan gebeurt.
Experimenten moeten zo onafhankelijk mogelijk worden uitgevoerd, zodat menselijke
fouten worden geminimaliseerd:
- Blind: de patiënt weet niet wat hij krijgt toegediend.
- Dubbel-blind: de patiënt en de onderzoeker weten niet wat wordt toegediend.
Verschillen monsters/samples:
Biologie: elk monster dat je meet is een sample.
Statistiek: de verzameling monsters die je neemt uit een populatie vormen samen het
sample.
Data:
Categoriaal:
Discreet (een of ander, hele getallen)
- Nominaal = geen volgorde (man/vrouw, ziek/gezond).
- Ordinaal = waarden gerangschikt (niet verbeterd, verbeterd, sterk verbeterd).
Numeriek:
Continue (komma getallen)
- Interval = arbitrair nulpunt (Celsius, kan ook -10 zijn).
- Ratio = absoluut nulpunt (lengte).
Voor categoriale data gebruik je een staafdiagram:
- Elk staafje representeert een van de categorieën.
Voor numerieke data gebruik je een dotplot of histogram:
Dotplot histogram
, y = gemiddelde
Σ yi = de som van alle waardes
n = aantal meetwaardes
Mediaan:
- Alle data op volgorde van grote zetten.
- De middelste waarde is het midden
34567789
Het midden van de set is de mediaan, dus: (6 + 7) / 2 = 9,5
Modaal:
- Zoek de meest voorkomende waarde op (7 komt twee keer voor dus dit is de
modaal). Vaker getallen met dezelfde hoeveelheid bimodaal.
Histogram:
Skewed to the right.
(ligt het modaal links – to the right. Ligt het modal
rechts – to the left)
Range = absolute interval waarbinnen alle waarden liggen:
Range = x hoogste – x laagste (94-71 = 23)
Data weergeven in een boxplot:
Een boxplot bevat de volgende gegevens (five-number summary):
- Laagste waarde (71)
range
- Hoogste waarde (94)
- Mediaan (82)
- Waarde op 25% van de reeks, Q1 (79,5)
- Waarde op 75% van de reeks, Q3 (90)
3 typen bewijs:
1. Anekdotisch = er is in 1 geval geobserveerd.
2. Observationeel = er is over een grotere groep geobserveerd.
3. Experimenteel = in een gecontroleerde conditie een bepaalde verandering
doorvoeren om te kijken wat er dan gebeurt.
Experimenten moeten zo onafhankelijk mogelijk worden uitgevoerd, zodat menselijke
fouten worden geminimaliseerd:
- Blind: de patiënt weet niet wat hij krijgt toegediend.
- Dubbel-blind: de patiënt en de onderzoeker weten niet wat wordt toegediend.
Verschillen monsters/samples:
Biologie: elk monster dat je meet is een sample.
Statistiek: de verzameling monsters die je neemt uit een populatie vormen samen het
sample.
Data:
Categoriaal:
Discreet (een of ander, hele getallen)
- Nominaal = geen volgorde (man/vrouw, ziek/gezond).
- Ordinaal = waarden gerangschikt (niet verbeterd, verbeterd, sterk verbeterd).
Numeriek:
Continue (komma getallen)
- Interval = arbitrair nulpunt (Celsius, kan ook -10 zijn).
- Ratio = absoluut nulpunt (lengte).
Voor categoriale data gebruik je een staafdiagram:
- Elk staafje representeert een van de categorieën.
Voor numerieke data gebruik je een dotplot of histogram:
Dotplot histogram
, y = gemiddelde
Σ yi = de som van alle waardes
n = aantal meetwaardes
Mediaan:
- Alle data op volgorde van grote zetten.
- De middelste waarde is het midden
34567789
Het midden van de set is de mediaan, dus: (6 + 7) / 2 = 9,5
Modaal:
- Zoek de meest voorkomende waarde op (7 komt twee keer voor dus dit is de
modaal). Vaker getallen met dezelfde hoeveelheid bimodaal.
Histogram:
Skewed to the right.
(ligt het modaal links – to the right. Ligt het modal
rechts – to the left)
Range = absolute interval waarbinnen alle waarden liggen:
Range = x hoogste – x laagste (94-71 = 23)
Data weergeven in een boxplot:
Een boxplot bevat de volgende gegevens (five-number summary):
- Laagste waarde (71)
range
- Hoogste waarde (94)
- Mediaan (82)
- Waarde op 25% van de reeks, Q1 (79,5)
- Waarde op 75% van de reeks, Q3 (90)