___________________________________________________________________
Introductie
Wat is geestelijke gezondheidszorg?
• Georganiseerde dienstverlening die de maximale bevordering van de
psychische gezondheid beoogt
• Het voorkomen en behandelen van lichte, milde en ernstige psychische
problemen (deelgebied psychiatrie)
Verschillende paradigma’s:
Samenwerkingsmodel
Beroepsgeheim: enkel doorbreken bij direct gevaar
voor een identificeerbaar persoon / suïcidale
gedachten, persoon is zelf in gevaar.
Stoornis behandelen, gemotiveerde patiënt
Forensische GGG: conflictmodel, 3e partij die meekijkt
Patiënt wil geen hulp, rechter oordeelt van wel. Ter
bescherming van de maatschappij + verbeteren
psychische gezondheid individu.
Relatie stoornis & delict!
Deel 1) Psychiatrische stoornissen
1. Algemeen
1. Wat is een psychiatrische stoornis?
Een psychiatrische ziekte = ziekte met psychische symptomen en/of door
psychische oorzaken, die gepaard gaat met lijden en/of sociaal disfunctioneren.
Psychische functies:
1. Cognitieve functies: aandacht, geheugen, waarneming DENKEN
2. Affectieve functies: emoties VOELEN
3. Conatieve functies: motoriek, gedrag WILLEN/GEDRAG
,Beinvloeden elkaar, bv. gedachten beïnvloeden gevoelens = cognitieve
gedragstherapie
Worden allemaal beïnvloed door de omgeving (wisselwerking individu-omgeving)
Psychiatrische stoornis
NIET ziekte: want, moeilijk om een specifieke oorzaak aan te duiden
Stoornis ↔ klachten
• Klachten: gaan snel voorbij, normaal (1/3 laatste week klacht gehad)
• Stoornis: langdurig psychisch probleem, negatieve impact op verschillende
levensdomeinen
2. Hoe wordt een psychiatrische diagnose gesteld?
Is er een stoornis? De welke? Wat zijn de oorzaken? Wat is de behandeling?
Diagnose wordt gesteld door psychiaters.
In kaart stellen van klachten en verschijnselen:
• Anamnese = vragen stellen over de symptomen
• Lichamelijke observatie, hoe gedraagt de patiënt zich
• Kijken of er een psychiatrisch ziektebeeld bij past
Soorten anamnese:
1. Speciële: vragen naar de geschiedenis van de psychiatrische aandoening
2. Algemene psychiatrische: screenen voor andere stoornissen
3. Sociale: vragen naar 3 milieus (thuis/werk of school/vrije tijd) WANT stoornis
mag enkel vastgesteld worden bij invloed op je leven
4. Biografische: vragen naar levensverhaal, geschiedenis
5. Somatische (lichamelijk): is er een lichamelijke aandoening die je klacht kan
verklaren? + rekening houden met welke medicatie mag toegediend worden.
Probleem:
Info is vaak onvolledig / onjuist, mensen liegen, zijn beschaamd… of hebben een
psychiatrische stoornis…
en kunnen niet meer goed de situatie inschatten (oordeelsvermogen verstoord)
➞ Heteroanamnese:
Gesprek met derden, info uit dossiers verzamelen om alles na te gaan +
Belang van testen om “fraude”, onder rapporteren of over presteren op te sporen.
⇓⇓⇓
Aanvullend onderzoek:
• Bloedonderzoek om lichamelijke problemen vast te stellen / uit te sluiten bv.
bloedarmoede geeft klachten die lijken op depressie
• Hersenonderzoek om neurologische aandoeningen op te sporen (die leiden
tot de symptomen) NIET om de aandoening zelf op te sporen
Psychologisch onderzoek: tests om psychische functies te meten bv. intelligentie /
persoonlijkheidstests
➡Psychiatrische diagnostiek = anamnese + onderzoek
,Rosenhan experiment:
Nep-patiënten naar psychiatrische ziekenhuizen sturen.
Duurde gemiddeld 19 dagen voordat de patiënten weg mochten (psychiaters
overtuigd dat er niks was). Bleven achter met een stempel.
Alles werd geframed in kader van de diagnose.
→ kwetsbaarheid van de diagnostiek!
Twee typen diagnose:
1. Syndroomdiagnose/ descriptieve: puur beschrijvend, symptomen ordenen tot
een stoornis
2. Structuurdiagnose: etiopathogenese = achterhalen hoe de stoornis is
ontstaan?
• Is er een onderliggende kwetsbaarheid? (predisponerendefactoren)
• Zijn er factoren die de stoornis uitlokken? (luxerende factoren)
• Zijn er factoren die de stoornis onderhouden of
versterken?(onderhoudende factoren)
Differentiële diagnose: voorlopig denkt men aan X, maar diagnose Y wordt ook
gesteld. Het verdere verloop van de ziekte zal uitwijzen welke het is.
Ontstaan psychiatrische stoornis:
Kwetsbare fase: beperkingen
waar je mee kan leven, maar
rekening mee moet houden
(zoals bij diabetes,
intolerantie…) Niet
onmiddellijk zichtbaar!
Prodromale fase: kenmerken die de ziekte aankondigen, worden pas na de diagnose
herkend als voorspellers
Mensen die niet terug gezond worden, blijven langdurig ziek, dan spreekt men van
een stoornis.
Classificatie:
DSM: Handboek met alle diagnoses opgelijst (beschrijvende
manier)
Categoriale benadering: mensen indeling in categorie ziek /
niet ziek. In realiteit hebben mensen vaak een aantal / een beetje symptomen. Vanaf
een bepaald aantal kenmerken krijgen mensen de diagnose.
↔
Dimensionale benadering: iemand wordt op het continuüm geplaatst tussen niet ziek
en ziek a.d.h.v. de hoeveelheid symptomen die hij vertoont.
, • DSM ½ gebaseerd op theorieën zoals de psychoanalyse van Freud
• DSM ¾ descriptief, diagnostische criteria die gecheckt worden,
multi-axiaal systeem = 5 assen,
o as 1: stonden alle ziektes met begin- en eindpunt = syndromale
stoornissen (bv. depressie)
o as 2: stoornissen en verstandelijke beperking (voor het leven)
o as 3: somatische ziektes
o as 4: stressniveau / omgevingsfactoren
o as 5: niveau van functioneren
• DSM 5 (356): van ziektes die in kindertijd ontstaan tot ziektes die op latere
leeftijd ontstaan zoals dementie. Volgens ontwikkeling / levensloop. Je kan er
meerdere tegelijk hebben = comorbiditeit.
Risico van de DSM 5 te gebruiken bij forensische psychiatrie!
Niet omdat iemand een diagnose heeft uit de DSM, dat hij wettelijk een psychotische
stoornis heeft (en dus wilsonbekwaam / ontoerekeningsvatbaar) is.
Er is extra informatie nodig over de beperkingen in het functioneren ende manier
waarop deze beperkingen de specifieke vermogens die aan de orde zijn, aantasten!
En zelfs als verminderde controle over het eigen gedrag een kenmerk is van de
stoornis, toont de classificatie nog niet aan dat een bepaald persoon op een bepaald
tijdstip niet in staat was om zijn of haar gedrag onder controle te houden.
Agressie staat niet in DSM, is geen ziektebeeld. Kan wel voorkomen bij enkele
ziektebeelden als symptoom.
3. Hoe vaak komt een psychiatrische stoornis voor?
Wat meet je?
• Zorgbehoefte: zorg nodig hebben
• Hebben van een psychiatrische diagnose
• Psychiatrisch zorggebruik
Jaarprevalentie DSM-diagnose: 20-25%
Jaarprevalentie B psychische stoornissen: 1/7 (minderjarigen 1/5)
Zeer ernstige stoornissen: 1,7% (schizofrenie, psychose)
Persoonlijkheidsstoornissen (psychopathie ed.) + autisme zijn moeilijker te bevragen.
!! Het komt heel veel voor: 1/3 Belgen heeft in zijn leven te maken met een stoornis.
Bij wie komen psychische problemen vaak voor?
• Mensen met lage SES, armoede (meer stress, minder hulpmiddelen)
• Mensen in grote steden ↔ rurale gebieden (minder cohesie, meer stress)
• Alleenstaanden (minder cohesie)
• Jonge mensen (1/4 van de stoornissen voor de leeftijd van 14 jaar)
• Vrouwen: meer angst/ depressie = internaliserend ↔ mannen:
persoonlijkheidsstoornissen, middelenmisbruik = externaliserend V = M