Inleiding
1. Verbondenheid
1.1 lichaam en psyche
Ze hebben invloed op elkaar.
Motoriek: TMS (Transcraniële magnetische stimulatie) op de motorische cortex veroorzaakt
beweging. Een magnetisch veld in het brein stimuleert dan neuronen/zenuwcellen. Gaan via
ruggenmerg naar arm => contracties.
Waarneming: 1/10 van de massa van een zandkorrel LSD brengt visuele hallucinaties teweeg bij
de meeste mensen; andere substanties kunnen slaap teweeg brengen, honger veroorzaken, of
zorgen dat we geen pijn voelen. LSD: hallucinaties, geen pijn wegnemen.
Persoonlijkheid: schade aan welbepaalde delen van de hersenen kan je persoonlijkheid ingrijpend
veranderd. Bv leiden tot ontremd gedrag (hypersexualiteit), of je apathisch doen reageren (vb op
pijn). De psychische effecten van hersenschade hangen op systematische wijze samen met o.m.
de locus.
Moraal: TMS van de rDLPFC verhoogt kans op utilitaire responsen in morele dilemma’s. Bv trolley
dilemma -> 1 persoon of 4 personen redden door aan hendel te trekken (meeste kiezen 4 redden).
MRI scan (hersenbloeding): wanneer en waar een bepaalde activiteit in brein -> welk beeld zag
die toen?
Dit soort technologie kan ondertussen gebruikt worden bv onze visuele verbeelding zichtbaar te
maken. Wordt ook voor dromen gebruikt.
1.2 binnen het organisme
Specifiek voor het zenuwstelsel: Hubel & Wiesel (1959):
- individueel neuron in de visuele cortex is selectief sensitief voor een bepaalde oriëntatie van
een lijnstuk.
- Enkel bij een (min of meer) verticale lijnstuk gaat dit neuron vuren
- ! Dit neuron ziet geen oriëntatie en kan dit patroon enkel vertonen als onderdeel van een
netwerk.
Experiment bij katten: krijgen een naald in brein —> of en hoe vaak een neuron
zich in de omgeving vuurt registreren.
Elk streepje = elke keer dat de neuron vuurt.
Zien wat een kat te zien krijgt. Krijgen eenvoudige stimuli aangeboden.
Rechterkolom = snelheid dat neuron vuurt.
Gevoeligheid voor de witte streep meten.
Neuron heeft visuele input nodig (licht). Netwerk is gevoelig voor oriëntatie (de
neuron niet).
1
,Verwevenheid:
- alle subsystemen van het lichaam
• hormonaal
• Spijsvertering
• Cardiovasculair
• Neuraal
• …
- Alle systemen vormen een geheel => gedrag
- Weerspiegeld in de taal: wat is “moe zijn?” Wat is “slapen”?
1.3 tussen organisme en omgeving
Rood = telling
Zwart = regressierechte
Biologie:
- organisme = open systeem => voortdurende uitwisseling van materie en energie (organisme en
omgeving) => ruiken, zien, proeven,… (chemisch <-> energetisch)
- Zelfs allerlei gasten
• vb darmflora
• Vb toxoplasmose: zwangere vrouwen moeten hier voor oppassen. 50% wordt ermee
geïnfecteerd. Via uitwerpselen.
• Vb symbiose
- omgeving is veranderlijk (plaats en tijd). Vb natuurlijke slaapcyclus <-> rotatiesnelheid van de
aarde rond haar as; slaapproblemen aan polaire regio’s
- Verstrekkende, verklarende kracht van evolutietheorie
- “Gedragsneurowetenschappen” vs “biologische psychologie”
- Ook andere organismes kunnen alcohol consumeren
2. Waarom biologische psychologie?
- fundamentele kaders en perspectief, ook crucial voor andere domeinen
(ontwikkelingspsychologie, cogn psychologie, klinische psychologie, AI, ethiek, recht,…)
- Nog belangrijker voor bepaalde specialismes vb klinische neuropsychologie
- Belang in diagnostiek en interventies
- Amputatie ene hand => andere hand voor spiegel => gevoel datje je beide handen nog hebt
- Multidisciplinair werk (zie o.a. psychofarmacotherapie)
- Kritische zin!
2
,Evolutie en gedragsgenetica
Structuur van de cursus
1. Evolutie
Juist of fout?
1.1 definiëring perspectief
Grondvoorwaarden natuurlijke selectie:
1) overerving: er zijn overerfbare eigenschappen. Uiterlijk & innerlijk. Niets vermeld over DNA
(aliens zouden geen DNA kunnen hebben).
2) Variatie: er bestaat variabiliteit in deze eigenschappen (o.a. via mutatie). Bv oogkeur,
allergieën,… . Er ontstaat ook altijd nieuwe variatie oa mutatie (= wijziging in genetische code)
=> elke keer dat cel splitst moet code overgeschreven worden, maar hier kunnen foutjes
gebeuren. Bij schizofrenie kan de leeftijd van de vader een rol spelen. Mutatie kan ook door bv
radioactiviteit want kan genetische code vervormen. Het kan dus voor een nieuwe eigenschap
zorgen. Lactose intolerant: er treedt een mutatie op. In een omgeving opgroeien waar koeien
zijn doet je overlevingskansen stijgen. Heel lang geleden was bijna iedereen lactose intolerant.
3) Selectie: sommige van deze eigenschappen hangen in een bepaalde context samen met
groter reproductief succes (aantal geslachtsrijpe nakomelingen)
=> genen die samenhangen met deze eigenschappen zullen in frequentie toenemen in de
volgende generatie.
=> ontstaan van genetische verschillen tussen vorige en volgende generaties: evolutie
=> natuurlijke selectie is een proces dat leidt tot evolutie
Het is een theorie, dus je kan het ook op bacteriën, aliens,… toepassen.
Variatie van kevers. Groen frequenter omdat die meer gecamoufleerd zijn in de
natuur = selectie. Oranje is zeldzamer.
-selectief jagen op groen want hij vindt deze lekkerder. Voordeel van het variant
hebben van de oranje kever. Op enkele generaties begint de groene variant te
verdwijnen. Vroeger vooral groen, nu vooral oranje = evolutie.
-Het kan zijn dat ze twee verschillende soorten worden overdenkende generaties
heen (omdat ze bv geen nakomelingen meer kunnen maken met groene kevers).
3
, Selectie
- “survival of the fittest”
• niet per de de sterkste, slimste, … => diegene die het beste past in de omgeving. Bv oranje
keve is niet sterker of slimmer. Het hangt af van de omstandigheden waarin je leeft.
• Fit van een individu met veranderlijke omgeving cruciaal => omgevingen veranderen. Een
nadelige eigenschap kan later ooit een voordeel worden. Bv peper-en-zout vlinder: nu meer
witte want zwart valt meer op, daarvoor meer zwart (IR Engeland => veel roet op de bomen
waardoor de bomen zwart werden => zwart meer overlevingskans = inversie), daarvoor meer
wit.
• Is een slechte samenvatting
• Vermogen om te overleven in een bepaalde omgeving => impact op reproductief succes - het
aantal geslachtsrijpe nakomelingen dat je voortbrengt.
- dragen bij tot fitness/reproductief succes van een individu:
• overleven (moraliteitsselectie)
• Aantal nakomelingen (vruchtbaarheidsselectie)
• Gelegenheid tot voortplanten (seksuele selectie) => doorheen te dierenrijk proberen vooral de
mannetjes het vrouwtje te overwinnen. Veel strategieën: bv voor de pauw met de kortere staart
gaan want overleeft beter. Meestal worden die met de grote gekozen (aantrekkelijker).
- tot nu toe allemaal vormen van directe fitness (persoonlijk reproductief succes => hoe beter je
kunt versieren, hoe meer kids;…)
- Inclusieve fitness: directe fitness + indirecte fitness
- Verwantenselectie: ok genen geassocieerd met het reproductief succes van verwanten zullen
meer voorkomen in volgende generaties.
• Steriele honingbijen: Steriel = geven geen eieren door want kunnen dat niet aanmaken. Hoe dan
voortplanten? => werksters zijn zeer verwant aan elkaar en aan de koningin. Legt een paar
duizenden eieren.
• Selectie werkt op niveau van genen (niet op niveau van individuen). Werkster bij draagt bij aan
een systeem om genen door te geven aan volgende generatie.
• Kosten/baten: mate van verwantheid + kost voor het eigen reproductief succes.
• Als een bij van een nadere korf binnendringt wordt die direct afgemaakt. Du enkel amenwerken
in groep waar de bijen super homogeen zijn.
• Belangrijke psychologische implicaties: herkennen van verwanten, psychologie van het
altruïsme (is belangrijk om te begrijpen), zorg, …
• Eeneiige tweeling: geven exact dezelfde genen door.
• Verwanten herkennen is moeilijk voor mensen (ratten kunnen die bv ruiken aan de pis) daarom
belangrijk in de psychologie. Wij zijn hel gevoelig aan elke mini verandering van gezichten.
Psychologische relevantie
- indien belangrijke psychische kenmerken ook geworteld zijn in ons lichaam: rechtstreekse
erfelijke invloed op deze kenmerken. Vb grootte brein in belangrijke mate genetisch bepaald,
correleert met IQ.
- Erfelijke invloed kan ook lopen via banale (=niet rechtstreeks betrokken met zenuwstelsel)
fysieke eigenschappen. Vb link extraversie met lichaamslengte en/of attractiviteit
- Leer van de overerfbaarheid van gedrag = gedragsgenetica
• sterke negatieve connotaties via o.a. eugenetica en andere racistische theorieën.
4
1. Verbondenheid
1.1 lichaam en psyche
Ze hebben invloed op elkaar.
Motoriek: TMS (Transcraniële magnetische stimulatie) op de motorische cortex veroorzaakt
beweging. Een magnetisch veld in het brein stimuleert dan neuronen/zenuwcellen. Gaan via
ruggenmerg naar arm => contracties.
Waarneming: 1/10 van de massa van een zandkorrel LSD brengt visuele hallucinaties teweeg bij
de meeste mensen; andere substanties kunnen slaap teweeg brengen, honger veroorzaken, of
zorgen dat we geen pijn voelen. LSD: hallucinaties, geen pijn wegnemen.
Persoonlijkheid: schade aan welbepaalde delen van de hersenen kan je persoonlijkheid ingrijpend
veranderd. Bv leiden tot ontremd gedrag (hypersexualiteit), of je apathisch doen reageren (vb op
pijn). De psychische effecten van hersenschade hangen op systematische wijze samen met o.m.
de locus.
Moraal: TMS van de rDLPFC verhoogt kans op utilitaire responsen in morele dilemma’s. Bv trolley
dilemma -> 1 persoon of 4 personen redden door aan hendel te trekken (meeste kiezen 4 redden).
MRI scan (hersenbloeding): wanneer en waar een bepaalde activiteit in brein -> welk beeld zag
die toen?
Dit soort technologie kan ondertussen gebruikt worden bv onze visuele verbeelding zichtbaar te
maken. Wordt ook voor dromen gebruikt.
1.2 binnen het organisme
Specifiek voor het zenuwstelsel: Hubel & Wiesel (1959):
- individueel neuron in de visuele cortex is selectief sensitief voor een bepaalde oriëntatie van
een lijnstuk.
- Enkel bij een (min of meer) verticale lijnstuk gaat dit neuron vuren
- ! Dit neuron ziet geen oriëntatie en kan dit patroon enkel vertonen als onderdeel van een
netwerk.
Experiment bij katten: krijgen een naald in brein —> of en hoe vaak een neuron
zich in de omgeving vuurt registreren.
Elk streepje = elke keer dat de neuron vuurt.
Zien wat een kat te zien krijgt. Krijgen eenvoudige stimuli aangeboden.
Rechterkolom = snelheid dat neuron vuurt.
Gevoeligheid voor de witte streep meten.
Neuron heeft visuele input nodig (licht). Netwerk is gevoelig voor oriëntatie (de
neuron niet).
1
,Verwevenheid:
- alle subsystemen van het lichaam
• hormonaal
• Spijsvertering
• Cardiovasculair
• Neuraal
• …
- Alle systemen vormen een geheel => gedrag
- Weerspiegeld in de taal: wat is “moe zijn?” Wat is “slapen”?
1.3 tussen organisme en omgeving
Rood = telling
Zwart = regressierechte
Biologie:
- organisme = open systeem => voortdurende uitwisseling van materie en energie (organisme en
omgeving) => ruiken, zien, proeven,… (chemisch <-> energetisch)
- Zelfs allerlei gasten
• vb darmflora
• Vb toxoplasmose: zwangere vrouwen moeten hier voor oppassen. 50% wordt ermee
geïnfecteerd. Via uitwerpselen.
• Vb symbiose
- omgeving is veranderlijk (plaats en tijd). Vb natuurlijke slaapcyclus <-> rotatiesnelheid van de
aarde rond haar as; slaapproblemen aan polaire regio’s
- Verstrekkende, verklarende kracht van evolutietheorie
- “Gedragsneurowetenschappen” vs “biologische psychologie”
- Ook andere organismes kunnen alcohol consumeren
2. Waarom biologische psychologie?
- fundamentele kaders en perspectief, ook crucial voor andere domeinen
(ontwikkelingspsychologie, cogn psychologie, klinische psychologie, AI, ethiek, recht,…)
- Nog belangrijker voor bepaalde specialismes vb klinische neuropsychologie
- Belang in diagnostiek en interventies
- Amputatie ene hand => andere hand voor spiegel => gevoel datje je beide handen nog hebt
- Multidisciplinair werk (zie o.a. psychofarmacotherapie)
- Kritische zin!
2
,Evolutie en gedragsgenetica
Structuur van de cursus
1. Evolutie
Juist of fout?
1.1 definiëring perspectief
Grondvoorwaarden natuurlijke selectie:
1) overerving: er zijn overerfbare eigenschappen. Uiterlijk & innerlijk. Niets vermeld over DNA
(aliens zouden geen DNA kunnen hebben).
2) Variatie: er bestaat variabiliteit in deze eigenschappen (o.a. via mutatie). Bv oogkeur,
allergieën,… . Er ontstaat ook altijd nieuwe variatie oa mutatie (= wijziging in genetische code)
=> elke keer dat cel splitst moet code overgeschreven worden, maar hier kunnen foutjes
gebeuren. Bij schizofrenie kan de leeftijd van de vader een rol spelen. Mutatie kan ook door bv
radioactiviteit want kan genetische code vervormen. Het kan dus voor een nieuwe eigenschap
zorgen. Lactose intolerant: er treedt een mutatie op. In een omgeving opgroeien waar koeien
zijn doet je overlevingskansen stijgen. Heel lang geleden was bijna iedereen lactose intolerant.
3) Selectie: sommige van deze eigenschappen hangen in een bepaalde context samen met
groter reproductief succes (aantal geslachtsrijpe nakomelingen)
=> genen die samenhangen met deze eigenschappen zullen in frequentie toenemen in de
volgende generatie.
=> ontstaan van genetische verschillen tussen vorige en volgende generaties: evolutie
=> natuurlijke selectie is een proces dat leidt tot evolutie
Het is een theorie, dus je kan het ook op bacteriën, aliens,… toepassen.
Variatie van kevers. Groen frequenter omdat die meer gecamoufleerd zijn in de
natuur = selectie. Oranje is zeldzamer.
-selectief jagen op groen want hij vindt deze lekkerder. Voordeel van het variant
hebben van de oranje kever. Op enkele generaties begint de groene variant te
verdwijnen. Vroeger vooral groen, nu vooral oranje = evolutie.
-Het kan zijn dat ze twee verschillende soorten worden overdenkende generaties
heen (omdat ze bv geen nakomelingen meer kunnen maken met groene kevers).
3
, Selectie
- “survival of the fittest”
• niet per de de sterkste, slimste, … => diegene die het beste past in de omgeving. Bv oranje
keve is niet sterker of slimmer. Het hangt af van de omstandigheden waarin je leeft.
• Fit van een individu met veranderlijke omgeving cruciaal => omgevingen veranderen. Een
nadelige eigenschap kan later ooit een voordeel worden. Bv peper-en-zout vlinder: nu meer
witte want zwart valt meer op, daarvoor meer zwart (IR Engeland => veel roet op de bomen
waardoor de bomen zwart werden => zwart meer overlevingskans = inversie), daarvoor meer
wit.
• Is een slechte samenvatting
• Vermogen om te overleven in een bepaalde omgeving => impact op reproductief succes - het
aantal geslachtsrijpe nakomelingen dat je voortbrengt.
- dragen bij tot fitness/reproductief succes van een individu:
• overleven (moraliteitsselectie)
• Aantal nakomelingen (vruchtbaarheidsselectie)
• Gelegenheid tot voortplanten (seksuele selectie) => doorheen te dierenrijk proberen vooral de
mannetjes het vrouwtje te overwinnen. Veel strategieën: bv voor de pauw met de kortere staart
gaan want overleeft beter. Meestal worden die met de grote gekozen (aantrekkelijker).
- tot nu toe allemaal vormen van directe fitness (persoonlijk reproductief succes => hoe beter je
kunt versieren, hoe meer kids;…)
- Inclusieve fitness: directe fitness + indirecte fitness
- Verwantenselectie: ok genen geassocieerd met het reproductief succes van verwanten zullen
meer voorkomen in volgende generaties.
• Steriele honingbijen: Steriel = geven geen eieren door want kunnen dat niet aanmaken. Hoe dan
voortplanten? => werksters zijn zeer verwant aan elkaar en aan de koningin. Legt een paar
duizenden eieren.
• Selectie werkt op niveau van genen (niet op niveau van individuen). Werkster bij draagt bij aan
een systeem om genen door te geven aan volgende generatie.
• Kosten/baten: mate van verwantheid + kost voor het eigen reproductief succes.
• Als een bij van een nadere korf binnendringt wordt die direct afgemaakt. Du enkel amenwerken
in groep waar de bijen super homogeen zijn.
• Belangrijke psychologische implicaties: herkennen van verwanten, psychologie van het
altruïsme (is belangrijk om te begrijpen), zorg, …
• Eeneiige tweeling: geven exact dezelfde genen door.
• Verwanten herkennen is moeilijk voor mensen (ratten kunnen die bv ruiken aan de pis) daarom
belangrijk in de psychologie. Wij zijn hel gevoelig aan elke mini verandering van gezichten.
Psychologische relevantie
- indien belangrijke psychische kenmerken ook geworteld zijn in ons lichaam: rechtstreekse
erfelijke invloed op deze kenmerken. Vb grootte brein in belangrijke mate genetisch bepaald,
correleert met IQ.
- Erfelijke invloed kan ook lopen via banale (=niet rechtstreeks betrokken met zenuwstelsel)
fysieke eigenschappen. Vb link extraversie met lichaamslengte en/of attractiviteit
- Leer van de overerfbaarheid van gedrag = gedragsgenetica
• sterke negatieve connotaties via o.a. eugenetica en andere racistische theorieën.
4