HOOFDSTUK 6: EERSTE WEEK
= begint bij bevruchting en eindigt bij implantatie.
WEEK 1
1.KLIEVINGSDELINGEN (DAG 1 – 3)
NORMAAL VERLOOP
Na bevruchting:
Gaat zygote zich verder delen via mitose => verloopt traag + vindt plaats in de rigide zona pellucida
→ blijft zitten tot dag 4 => cellen worden bij elke deling kleiner = blastomeren
= > meeste monozygote tweelingen ontstaan in dit stadium.
3 tot 4 dagen na bevruchting:
Vrucht telt 16 cellen = morula stadium
→blastomeren zijn identiek en omnipotent (= ze kunnen differentiëren tot alle mogelijke
weefsels)
1
,Embryologie en genetica embryologie
MOZAÏCISME
Bij vroege klievingsdelingen gebeuren vaak fouten in celdeling => worden door alle dochtercellen
overgenomen.
Bv. tijdens 1ste klievingsdeling gaat non-disjunctiefenomeen optreden → helft van alle
dochtercellen zullen aneuploïd zijn.
Embryo wordt een genetisch mozaïek van cellen met een normaal genoom + cellen met een
afwijkend genoom => mozaïcisme
= wanneer verschillende genotypes voorkomen binnen hetzelfde
organisme.
Verdere gevolgen hangen af van de uitgebreidheid:
➢ Hoe vroeger mozaïcisme optreedt; hoe groter het aantal dochtercellen dat de genetische
afwijking zal vertonen.
➢ Bij hooggradig mozaïcisme; het embryo kan sterven
➢ Bij laaggradig mozaïcisme; het embryo sterft niet af → kan spontaan gecorrigeerd worden.
Door uitstoten van afwijkende cellen uit de morula → kan mozaïcisme verdwijnen
Verloren cellen: worden volledig vervangen door nieuwe, gezonde blastomeren → normale
ontwikkeling zet zich verder.
Gevolg: mensen met donkere huidskleur en allemaal witte vlekken op de huid.
2. BLASTOCYST (DAG 4)
Embryo bevat 58 cellen.
Hatching = tijdstip dat de vrucht aankomt in de baarmoederholte + zona pellucida afbreekt.
Vochtinsijpeling tussen de blastomeren → ontstaan van een holte = de blastocystholte / blastulaholte
(= voorloper van de dooierzak)
= > vrucht heet blastocyst of blastula.
2
,Embryologie en genetica embryologie
Verschillen tussen de cellen kan je vanaf nu waarnemen. In blastula onderscheiden we:
➢ Binnenste celmassa of embryoblast
= voorloper van embryo.
➢ Afgevlakte cellen die blastocystholte aflijnen =>
trofoblast.
= voorloper van placenta en vliezen.
3. INNESTELING (DAG 6)
Innesteling = nidatie = implantatie
Cruciaal proces voor verdere ontwikkeling van embryo.
Normale implantatieplaats: achterwand van de baarmoederholte.
Beschouwen als een lichte verwonding van endometrium, waarbij gering bloedverlies mogelijk is.
Blastula begint zijn implantatie in het baarmoederslijmvlies
Wordt vergemakkelijkt: doordat zowel cellen van endometrium als cellen van trofoblast
enzymen produceren die oppervlakkige epitheelcellen afbreken.
Trofoblastcellen ter hoogte van embryonale pool van blastocyst dringen binnen in het
endometrium + nemen door mitose sterk toe in aantal
Ectopische zwangerschap = als de implantatieplaats zich buiten de baarmoederholte bevindt.
= > kunnen niet voldragen worden + geven aanleiding tot levensbedreigende complicaties.
Mogelijke plaatsen: eileider – ovarium – buikholte
Oorzaak: slecht doorgankelijke eileider door bv. ontstekingen
3
,Embryologie en genetica embryologie
4. SPONTAAN MISKRAAM
= vrouw is zich vaak nog niet bewust van de zwangerschap en het bloedverlies dat met spontane abortus
gepaard gaat.
Gebeurd meestal tijdens het 1ste trimester.
Oorzaak: door chromosomale abnormaliteiten (meestal; autosomale trisomie)
Belangrijke oorzaak trisomie 16, 22 en 21: aneuploïdie
ECTOPISCHE ZWANGERSCHAP
= innesteling buiten de baarmoederholte.
Gevolg: levensbedreigende complicaties.
HOOFDSTUK 7: TWEEDE WEEK
1.DE REGEL VAN 2 (DAG 8)
Begin 2de week: blastocyst ligt partieel ingebed in endometrium.
Rond dag 8: trofoblast gaat differentiëren in een cytotrofoblast en syncytiotrofoblast.
= invasief groeiend weefsels
met sterk fagocyterende
eigenschappen +
verantwoordelijk voor
eigenlijke innesteling.
Tweebladige kiemschijf = embryoblast groeit uit in 2 structuren; die als 2 ovaalvormige platen op elkaar
liggen:
➢ Dorsaal => epiblast
= voorloper ectoderm.
➢ Ventraal => hypoblast
= voorloper endoderm.
Vanaf nu: dooierzak (= blastocystholte): grenst aan hypoblast.
Op dezelfde dag: verschijnt in epiblast de amnionholte
= > wordt omsloten door amnioblasten.
4
,Embryologie en genetica embryologie
TEKENING
2. LACUNAIRE FASE (DAG 9)
Dag 9: vrucht zo goed als volledig verzonken in het endometrium => door uitbreiding van
syncytiotrofoblast.
Defect in baarmoederslijmvlies wordt tijdelijk afgesloten door fibrineprop (= stollingsprop).
Andere veranderingen:
➢ In syncytiotrofoblast worden vacuolen gevormd => versmelten met elkaar en vormen netwerk
van lacunes.
➢ Cellen van hypoblast migreren langs de wand van dooierzak → holte aflijnen => membraan van
Heuser
➢ Stromacellen van de baarmoederwand vertonen decidua-reactie
= ze transformeren naar metabool actievere cellen → hieruit
ontstaat later het maternale deel van placenta.
5
, Embryologie en genetica embryologie
TEKENING:
3. EXTRA-EMBRYONAAL MESODERM (DAG 11)
Rond 11de dag: losmazig bindweefsel wordt opgehoopt tussen:
➢ Hypoblast en amnionepitheel aan ene zijde
= extra-embryonaal mesoderm
➢ Cytotrofoblast aan andere zijde
Hierin: ontstaan intracellulaire holten => uitbreiding hiervan zorgt voor ontstaan van extra-
embryonaal coeloom (= chorionholte).
Wand van nieuwe holte: laag mesodermcellen:
➢ Pariëtaal mesoderm
Steunfunctie
➢ Visceraal mesoderm
Sinusoïden = maternale bloedvaten => 1ste stap van placentavorming => opgelet: PE!!
3 kiembraden:
➢ Epiblast bv. huid
➢ Mesoderm bv. skelet
➢ Hypoblast bv. maag
6