Hematologie
1. Algemene inleiding
1.1. Hematologie
= bestudeert samenstelling en eigenschappen van het bloed, bloedvormende organen en
bloedziekten.
Goedaardige ziekten = anemie, stollingsziekten…
Acute en chronische kwaadaardige ziekten = leukemie, lymfeklierkanker…
1.2. Samenstelling en functies van bloed
De samenstelling:
Bloedplasma Bloedcellen
- 93% water - Erytrocyten
- 7% opgeloste stoffen zoals eiwitten, - Leukocyten
suikers, vetten, zouten, hormonen en - Trombocyten
vitaminen
Functies:
Transport Afweer Stolling Regulering
- Zuurstof Onschadelijk maken Vaatwand beschadigd - Het evenwicht
- Koolstofdioxide van bacteriën, stollingseiwitten in de water- en
- Voedingsstoffe parasieten en virussen. vormen bloedstolsel zouthuishoudin
n Soms zijn specifieke beschadiging g
- Afvalstoffen afweerstoffen nodig genezen stolsel - Regeling van
(antistoffen). weg lichaams-T°
2. Hematopoïese
2.1. Stamcellen, proliferatie en differentiatie
Hematopoïese = aanmaak en verdere ontwikkeling van alle bloedcellen in het rode
beenmerg.
Bloedvormende organen (als er onvoldoende beschikbare beenmergruimte is): milt, lever
en lymfeklieren = extramedullaire aanmaak.
Proliferatie = een bepaalde cel deelt zich via mitose, waardoor 2 dochtercellen ontstaan. Ze
zijn identiek aan de moedercel. Stopt op een bepaald moment, en dan enkel differentiatie.
Differentiatie = het proces waarbij een cel overgaat van een onrijper in een rijper stadium,
zonder dat de cel zich deelt. Het eindpunt is de rijpste cel van de betreffende celsoort,
meestal het stadium dat zich in bloed bevindt.
Uitleg schema (zie achterkant):
- De pluripotente hemopoïetische stamcel (waaruit bloedcellen ontstaan) kan zich
door celdeling vermenigvuldigen.
- Of hij kan differentiëren tot de specifieke voorlopercel van elke celsoort =
gecommitteerde stamcel.
- Deze kan zich nog eens differentiëren, maar slechts in 1 richting = aparte
gecommitteerde stamcellen voor iedere celsoort.
- 2 typen:
o Lymfatische stamcel T- en B-lymfocyten
o Pluripotente myeloïde stamcel erytrocyten, granulocyten, monocyten en
trombocyten
2.2. Cytokinen en receptoren
, Cytokinen = groeifactoren stamcellen worden door cytokinen aangezet tot celdeling en
differentiatie wanneer er behoefte is een het celtype dat het rijpste stadium vormt in de
betreffende cellijn.
1. Algemene inleiding
1.1. Hematologie
= bestudeert samenstelling en eigenschappen van het bloed, bloedvormende organen en
bloedziekten.
Goedaardige ziekten = anemie, stollingsziekten…
Acute en chronische kwaadaardige ziekten = leukemie, lymfeklierkanker…
1.2. Samenstelling en functies van bloed
De samenstelling:
Bloedplasma Bloedcellen
- 93% water - Erytrocyten
- 7% opgeloste stoffen zoals eiwitten, - Leukocyten
suikers, vetten, zouten, hormonen en - Trombocyten
vitaminen
Functies:
Transport Afweer Stolling Regulering
- Zuurstof Onschadelijk maken Vaatwand beschadigd - Het evenwicht
- Koolstofdioxide van bacteriën, stollingseiwitten in de water- en
- Voedingsstoffe parasieten en virussen. vormen bloedstolsel zouthuishoudin
n Soms zijn specifieke beschadiging g
- Afvalstoffen afweerstoffen nodig genezen stolsel - Regeling van
(antistoffen). weg lichaams-T°
2. Hematopoïese
2.1. Stamcellen, proliferatie en differentiatie
Hematopoïese = aanmaak en verdere ontwikkeling van alle bloedcellen in het rode
beenmerg.
Bloedvormende organen (als er onvoldoende beschikbare beenmergruimte is): milt, lever
en lymfeklieren = extramedullaire aanmaak.
Proliferatie = een bepaalde cel deelt zich via mitose, waardoor 2 dochtercellen ontstaan. Ze
zijn identiek aan de moedercel. Stopt op een bepaald moment, en dan enkel differentiatie.
Differentiatie = het proces waarbij een cel overgaat van een onrijper in een rijper stadium,
zonder dat de cel zich deelt. Het eindpunt is de rijpste cel van de betreffende celsoort,
meestal het stadium dat zich in bloed bevindt.
Uitleg schema (zie achterkant):
- De pluripotente hemopoïetische stamcel (waaruit bloedcellen ontstaan) kan zich
door celdeling vermenigvuldigen.
- Of hij kan differentiëren tot de specifieke voorlopercel van elke celsoort =
gecommitteerde stamcel.
- Deze kan zich nog eens differentiëren, maar slechts in 1 richting = aparte
gecommitteerde stamcellen voor iedere celsoort.
- 2 typen:
o Lymfatische stamcel T- en B-lymfocyten
o Pluripotente myeloïde stamcel erytrocyten, granulocyten, monocyten en
trombocyten
2.2. Cytokinen en receptoren
, Cytokinen = groeifactoren stamcellen worden door cytokinen aangezet tot celdeling en
differentiatie wanneer er behoefte is een het celtype dat het rijpste stadium vormt in de
betreffende cellijn.