1. Inleiding
1.1 Economie als sociale wetenschap
Economie is een sociale wetenschap, het is een gedragswetenschap van mensen. Wat ligt er
aan de basis van de keuzes? Economische inzichten hangen vaak samen met hoe je kijkt naar
de maatschappij. Economie is gebaseerd op een serie rivaliserende en veranderende
denkkaders (zie verder). Het is de resultante van een dynamisch samenspel binnen een
institutioneel kader: een maatschappij bestaat uit instituties, overheden, ngo’s, vakbonden,
… Al deze zaken zijn het domein van economen en politici. Economie is geen exacte
wetenschap want geen enkele persoon past perfect in een theorie, de socio-economische
context verandert ook steeds. Mensen zijn niet zuiver rationeel en grotendeels niet
voorspelbaar.
1.2 Definitie economie
“The science which studies human behavior as a relationship between ends and scarse
means which have alternative uses” - L. Robbins à schaarse middelen en vele mogelijke
bestedingen. Met een euro kun je heel veel verschillende dingen doen maar geld is ook
schaars. Hoe verzoen je deze twee zaken? Economisch probleem gaat over hoe je die
schaarste gaat aanpakken è economisch motief: het oplossen van dit probleem is de
drijfveer van het menselijk handelen. Je kan dit bekijken op 2 schalen:
• Micro-economisch: op kleine schaal (gezin, bedrijf, product, …)
• Macro-economisch: op grote schaal (een land, een sector, …)
1.3 Kernbegrippen
Behoeften
Welke behoeftes (= verlangens van de mens) wil ik vervullen? We vervullen ze door de inzet
van schaarse middelen. Er zijn verschillende substituten (=alternatieven) om een behoefte te
vervullen. Bv je wil van Gent naar Antwerpen, hoe ga je? Met de trein, fiets, auto, … Wil je
sportief zijn? Wil je zo goedkoop mogelijk? Iedereen vult dit anders in. Daarom is het nut van
goederen en van substituten subjectief, de waarde (=prijs) varieert van persoon tot persoon.
De economie oordeelt niet over de wenselijkheid van behoeften en is neutraal.
Welvaart VS welzijn
Welvaart is de mate waarin de behoeften kunnen worden vervuld met schaarse
middelen. Het gaat niet echt over geld alleen, maar in welke mate mensen hun
behoeften kunnen vervullen (vb school, gezondheid, …) De combinatie van welvaart
met vervulling van ook de niet-meetbare behoeften is welzijn.
Productiefactoren
= Bronnen waarmee deze behoeftes vervuld kunnen worden. Rechtstreeks/onrechtstreeks.
ARBEID NATUUR KAPITAAL
• Kwantitatief: demografie (met • Verschillende functies • Afgeleide van arbeid en natuur
hoeveel zijn we om die • Input (grondstof/materiaal) (zowel geld als machines,
behoefte te vervullen?) • Ruimte (een plek heeft gebouwen, …
• Kwalitatief: vaardigheid (hoe plaats nodig) • Indirecte behoeftevervulling
opgeleid zijn die mensen?) • Recreatief (ontspanning) • Resultaat van investeren
• Tijd: arbeidsduur • Afvalverwerkend (van onze (spaaroverschot)
activiteiten) • Ook immaterieel: instituties
• Milieuverontreiniging/klimaat:
natuur wordt schaars.
1
, Management: college 1
Goederen
Goederen zijn gericht op behoeftevervulling, ze zijn hetgeen resulteert uit de
productiefactoren. Goederen zijn ook schaars. Er zijn duurzame, niet-duurzame goederen,
consumptiegoederen (voor directe behoeftebevrediging, bv pint), investeringsgoederen
(indirect, duurzaam bv kapitaalgoederen en niet-duurzaam bv eenmalig te gebruiken
printerinkt). Ook finale goederen (eindproduct) of intermediaire (halffabrikanten, bv stof.)
1.4 Economische spelers
Interrageren met elkaar en vormen de economie.
Gezinnen
Taak is vooral consumeren en zijn de bron van arbeid. Ook binnen gezinnen is er veel
toegevoegde waarde die niet wordt gemeten, zoals poetsen, koken, … Ze financieren zichzelf
met loon door te werken.
Bedrijven
Functie = samenbrengen van productiefactoren. Ze brengen natuur, kapitaal en arbeid
samen, maken/ doen er iets mee en verhandelen dat. De bedoeling is dat ze verhandelen
met winst (=toegevoegde (maatschappelijke) waarde).
Overheid
Collectief, niet van 1 persoon. De overheid vormt het bredere kader waarin bedrijven en
gezinnen gaan samenwerken = instellingen. Denk aan de instituties: parlement, senaat,
regeringen, gemeentes, gezondheidszorg, onderwijs, … De overheid zorgt voor collectieve
productie: afvalophaling, consumptie, publieke bouwwerken, … Ze financieren zichzelf met
belastingen.
DE SPELERS
GEZINNEN BEDRIJVEN OVERHEID
Consumeren
Vormt het kader waarbinnen
Bron van arbeid (loon)
bedrijven en gezinnen
Binnen het gezin veel Samenbrengen en vergoeden
opereren (=Instellingen)
economische activiteit (vb. van productiefactoren
Collectie productie (vb.
koken en poetsen) die niet Creëren van toegevoegde
afvalophaling) en consumptie
‘meegeteld’ wordt > belang van waarde (winst)
(vb. publieke bouwwerken)
huishoudelijk werk voor
belastingen
welvaart
22 Architectuur, Management, Markt en Economie
2