A heeft een exciterende invloed op B
B heeft een negatieve basistoestand
Kost veel energie om te behouden
Gaat ruis tegen want als A vuurt zonder dat het de bedoeling is
gaat B nog niet meteen over tot een actiepotentiaal
Tussen neuronen moet het duidelijk zijn welke vuren en welke niet à
alles of niets
Convergentie: het aantal neuronen in laag 2 is lager dan de
eerste laag, we hebben 2 soorten
1. Kwantitatieve integratie: neuronen geven dezelfde
boodschap door en je krijgt een optelsom
2. Kwalitatieve integratie: verschillende soorten info
worden gebundeld
Divergentie: meer neuronen in de 2de laag dan in de eerste,
hier hebben we ook terug 2 opties
1. Opsplitsen
2. Versterken
1.1FEEDBACK
A doet C en B vuren. C gaat A inhiberen
waardoor de kans op temporele summatie
bij B kleiner wordt waardoor het ook info
nodig heeft van andere neuronen om te
vuren.
Ruis wordt tegen gegaan
1.2FEEDFORWARD
C zorgt ervoor dat B niet meteen gaat vuren
als het veel info krijgt van A.
1.3SCHERPE EN DOFFE PIJN
A gaat de pijn voelen en B detecteert deze. Na
de acute pijndruk gaat C ervoor zorgen dat B
geinhibeert wordt om te pijn te minderen. Dit
gebeurt om kort een waarschuwing te geven en
de aandacht te vestigen vanwaar de pijn komt.
,D zorgt later voor de meer doffe pijn zodat je voorzichtig bent met de
wonde en heft de demping van B door C op.
1.4LATERALE INHIBITIE
Alle neuronen van de eerste laag inhiberen elkaar.
Dit netwerk vind je om nauwkeurig spatiaal te
lokaliseren. Als je duwt op je huid kan je
verschillende neuronen stimuleren en om te
weten waar de pijn exact vandaan komt gaat het
neuron dat het hardst onder druk staat de naaste
neuronen inhiberen.
1.5
COÏNCIDENTIEDETECTOR
Vb: Spatiale lokalisatie van
geluid zonder zicht.
Axonen van rechter en linker
oor geven beide informatie aan
neuronen (beige bollen) over
het horen van geluid.
Locatie van de bron van geluid,
bepaald wanneer het geluid toe
komt aan elk oor. Specifiek
neuron zal vuren afhankelijk
van het verschil in tijd tussen
de twee oren
2 INLEIDING ZINTUIGEN
We hebben meer zintuigen dan de klassieke 5
Positie ledenmaten, evenwichtszin, chemoceptie, magnetoceptie
,Zintuigen zitten meestal ingewikkelder in elkaar dan dat we op het eerste
zicht denken. Bv als we kijken naar iemand dat tast verliest kan deze
persoon nog wel de temperatuur en pijn voelen. Zintuigen bestaan dus uit
onderdelen dat we kunnen leren kennen door
Dissociatie: verschillende deelfuncties die samen 1 vormen.
Psyche waar we ons van bewustzijn = klein onderdeel van de
processen die in ons lichaam gebeuren
2.1DEFINITIES
1. Sensatie: sensorische receptoren zitten stimuli van de omgeving om
in neurale activiteit à cellen reageren rechtreeks op hetgeen dat je
wilt meten
2. Perceptie: interpretatie en reactie van deze sensaties door de cellen
in het centraal zenuwstelsel
3. Transductie: omzetting van fysieke stimuli in een verandering van
membraanpotentiaal en de sensorische receptorcel
Kritiek op de definities:
Onduidelijk onderscheid tussen interne en externe stimuli
Onduidelijk onderscheid tussen sensatie en perceptie
Definitie die wij gebruiken: Zintuigen zijn die psychische functies die ons
al dan niet bewust informatie verschaffen over gebeurtenissen in de
materiële wereld
2.2RECEPTOREN
Een sensorische receptor is een volledige cel en detecteert een specifieke
fysieke gebeurtenis of een substantie. Ze hebben meestal geen axon en
gebruiken geen actiepotentialen maar graduale en analoge codering.
Receptorcellen zijn altijd gespecialiseerde cellen (afgestemd op een
bepaalde stimulus) met een bepaalde range die gespecialiseerd verwerkt
worden à bv de primaire visuele cortex vooral gerelateerd aan zicht
2.3ZINTUIGELIJKE VERWERKING
Müller: verschillende sensoren communiceren op verschillende manieren
met het brein
Heden: alle zintuigen communiceren met actiepotentialen
Om actiepotentialen te vertalen doen we aan codering.
1. Obv intensiteit: gebaseerd op frequentie, aantal en threshhold
(dieper gelegen neuron dat vuurt bij druk gaat voor meer pijn
zorgen)
, 2. Obv locatie: waar de receptor ligt speelt geen rol door bv
somatotopische organisatie
Het receptief veld beschrijft waar de stimulus zich moet bevinden zodat
het een receptorcel kan beïnvloeden. Dit kan veranderen op andere
plaatsen van het lichaam. Hoe hoger je gaat in de verwerkingsketen hoe
groter het veld meestal is.
Adaptatie:
- Perceptuele systemen zijn vooral gevoelig voor veranderingen in
de omgeving
- Deze systemen wennen aan het algemeen niveau van stimulatie
en de responsen gaan dan uitdoven om energie te besparen
- Ze kunnen zich ook aanpassen (bv ogen wennen aan de nacht)
Relatieve gevoeligheid = mechanisme dat gevoelig is aan
verandering
- Het visueel systeem kan zich aan anticiperen, bv pupillen groter
maken als je een tunnel gaat door rijden
- Ons kleurzicht is goed afgestemd op groen
- Het organisme en de omgeving gaat zich dus verweven à
verwevenheid
Waarneming is gestuurd door verwachting