1) BRONNEN VAN HET EUROPEES RECHT
1. WAT IS EUROPEES RECHT?
1.1 HET RECHT VAN DE EUROPESE UNIE
• Algemeen
o Europees recht = in deze context enkel het recht van de Europese Unie (EU-recht), niet
van andere Europese organisaties.
o Beperking tot EU-recht omwille van omvang; HUDOC (EHRM-rechtspraak) wordt kort
vermeld i.v.m. de relevantie voor rechtspraktijk.
• Ontstaan en structuur van de EU
o EGKS-Verdrag (1951): België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg.
o EEG- & Euratom-verdrag (1957) → samen met EGKS: de Gemeenschapsverdragen.
o Inwerkingtreding:
▪ EGKS: 1952
▪ EEG & Euratom: 1958
• Belangrijke verdragen en hervormingen
o Europese Akte (1986):
▪ Uitbreiding bevoegdheden EEG
▪ Vooruitzicht op interne markt
▪ Meer stemmen met gekwalificeerde meerderheid
▪ Combinatie van communautair beleid + buitenlands beleid
o Verdrag van Maastricht (1992):
▪ EEG → Europese Gemeenschap
▪ EU ontstaat als overkoepelende structuur
o Verdrag van Amsterdam (1997):
▪ Invoering functie Hoge Vertegenwoordiger GBVB
▪ Uitbreiding EU-bevoegdheden
o Verdrag van Nice (2001):
▪ Voorbereiding uitbreiding met Centraal- en Oost-Europese landen
• Gemeenschapsrecht
o Bestaat uit:
1) Primair recht: Gemeenschapsverdragen
2) Afgeleid recht: Regels gebaseerd op die verdragen
3) Rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU
• EU-structuur tot 2009 (pijlersysteem)
1. Gemeenschapsrecht
2. Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
3. Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken (PJSS)
➔ Gemeenschappelijke bepalingen: Titel I & VIII van het EU-Verdrag
,• Verdrag van Lissabon (2009)
o Afschaffing van de pijlerstructuur
o Nieuwe structuur:
▪ VEU = Verdrag betreffende de Europese Unie
▪ VWEU = Verdrag betreffende de Werking van de EU
▪ Beide verdragen hebben gelijke juridische waarde
o EU vervangt de Europese Gemeenschap als opvolger
o Euratom-verdrag blijft naast de andere verdragen bestaan
1.2 BRONNEN VAN PRIMAIR EN SECUNDAIR UNIERECHT
1.2.1 Primair Unierecht
= Dit is het fundament van het Unierecht en bestaat uit de verdragen die de EU oprichten en
vormgeven.
1. Oprichtingsverdragen:
o Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
o Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
o Euratom-Verdrag
2. Wijzigingsverdragen:
o Europese Akte, Verdragen van Maastricht, Amsterdam, Nice, en Lissabon
3. Toetredingsverdragen:
o Bepalen de uitbreiding van de EU (bv. toetreding van landen zoals Polen, Kroatië, etc.)
4. Protocollen bij de verdragen:
o Hebben dezelfde juridische waarde als de verdragen zelf (art. 51 VEU)
o Voorbeeld: Protocol nr. 3 over het Statuut van het Hof van Justitie
5. Handvest van de grondrechten van de EU:
o Heeft sinds het Verdrag van Lissabon dezelfde juridische waarde als de verdragen (art. 6
VEU)
1.2.2 Secundair Unierecht
= Dit zijn de rechtsnormen die door de instellingen van de EU zijn vastgesteld op basis van het
primair Unierecht.
1. Verordeningen (art. 288 VWEU):
o Algemene strekking
o Verbindend in al haar onderdelen
o Rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten (zonder omzetting)
2. Richtlijnen (art. 288 VWEU):
o Verbindend m.b.t. het te bereiken resultaat
o Moet worden omgezet in nationaal recht binnen een bepaalde termijn
3. Besluiten (art. 288 VWEU):
o Verbindend in al hun onderdelen
o Alleen bindend voor degenen tot wie zij zijn gericht (indien vermeld)
4. Aanbevelingen en adviezen (art. 288 VWEU):
o Niet bindend, maar kunnen juridische en praktische gevolgen hebben
, • Historisch kader vóór het Verdrag van Lissabon
o Tot 2009 kende de EU een pijlerstructuur:
▪ Eerste pijler: Gemeenschapsrecht (bv. EG-recht)
▪ Tweede pijler: Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
▪ Derde pijler: Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken (PJSS)
Met het Verdrag van Lissabon werd deze structuur afgeschaft, en al het recht wordt sindsdien als
Unierecht beschouwd. Bestaande rechtsinstrumenten uit de tweede en derde pijler behielden hun
rechtsgevolgen, tenzij ze later zijn ingetrokken, gewijzigd of nietig verklaard.
1.3 KENMERKEN VAN HET UNIERECHT
1.3.1 Rechtstreekse werking
• Rechtstreekse werking betekent dat burgers zich voor de nationale rechter kunnen beroepen op
bepalingen uit het Unierecht, zonder dat nationale wetgeving vereist is.
• Verschil met rechtstreekse toepasselijkheid:
o Rechtstreekse toepasselijkheid = geen omzetting in nationaal recht nodig (bv.
verordeningen).
o Rechtstreekse werking = bepaalt of een norm individuele rechten schept die burgers kunnen
inroepen.
• Volgens het arrest Van Gend & Loos (1963) kunnen particulieren rechtstreeks rechten ontlenen
aan het Unierecht.
• Voorwaarden voor rechtstreekse werking (uit de rechtspraak):
o De norm moet duidelijk, onvoorwaardelijk, voldoende nauwkeurig zijn;
o Mag niet afhankelijk zijn van nationale uitvoeringsmaatregelen;
o Ook richtlijnen kunnen rechtstreekse werking hebben, als lidstaten ze niet tijdig hebben
omgezet én de bepalingen voldoen aan bovenstaande criteria.
1.3.2 Voorrang van het Unierecht
• Volgens het arrest Costa/E.N.E.L. (1964) heeft Unierecht voorrang op nationaal recht, ook al
is dat nationaal recht van latere datum.
• Het betekent dat, bij tegenstrijdigheid tussen een geldige Unierechtelijke norm en nationale
wetgeving, de nationale wet buiten toepassing moet worden gelaten.
• Bevestigd in Verklaring nr. 17 bij het Verdrag van Lissabon: de voorrang is een beginsel
erkend door het Hof van Justitie.
1.3.3 Bevoegdheidstoedeling en rechtsgrondvereiste
• De EU mag alleen handelen als zij daartoe bevoegdheden heeft gekregen van de lidstaten
(attributiebeginsel – art. 5 VEU).
• De Unie handelt dus binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de verdragen zijn
toebedeeld.
• Iedere rechtshandeling moet een rechtsgrond hebben:
o Dat is meestal een artikel uit het VEU of VWEU (primair recht);
o Ook een norm van secundair recht kan dienen als rechtsgrond, maar moet dan zélf
teruggaan op primair recht.
1.3.4 Motiveringsvereiste
• Volgens art. 296, lid 2 VWEU moeten EU-rechtshandelingen gemotiveerd zijn.
• Uit de rechtspraak volgt dat:
o De motieven van de EU-instelling duidelijk moeten zijn;