Psychofarmacologie
Jana Vanhoof
Examen:
• MPC met verhoogde censuur
Jana Vanhoof
[BEDRIJFSNAAM]
,INHOUDSOPGAVE
Basisbegrippen .................................................................................................................................. 3
Middelengebruik .............................................................................................................................. 28
Behandeling van ADHD .................................................................................................................... 49
Hypnotica ........................................................................................................................................ 57
Antipsychotica ................................................................................................................................. 67
Behandeling van depressie .............................................................................................................. 79
Behandeling van angststoornissen, trauma-gerelateerde stoornissen en obsessief-compulsieve
stoornissen ..................................................................................................................................... 95
Bipolaire stoornissen en stemmingsstabilisatoren ........................................................................ 101
Dementie ....................................................................................................................................... 109
Psychedelica voor therapieresistente depressie: ketamine en psilocybine ................................... 116
,BASISBEGRIPPEN
ANATOMIE VAN DE HERSENEN
ANATOMISCHE TERMINOLOGIE
SNIJVLAKKEN EN ORIËNTATIE IN DE HERSENEN
Snijvlakken in hersenen Beeldvorming
• Rostraal = ‘waar uw mond staat’ • Frontaal = vooraanzicht
• Caudaal = ‘waar uw staart staat’ • Sagittaal = zijaanzicht
• Frontaal/anterieur = vooraan • Horizontaal = bovenaanzicht
• Posterieur = achteraan • Mediaal = in het midden
• Superieur = bovenaan • Lateraal = aan de zijkant
• Inferieur = onderaan
ONTWIKKELING VAN NEURALE BUIS TOT HERSENEN
Embryo (4w) = hersenen nog niet volgroeid
• 3 blaasjes: voorhersenen,
middenhersenen en achterhersenen
Wanneer ze zich ontwikkelen = meer complexe
structuur
• Op 5w al 5 blaasjes = telencephalon,
diencephalon, mesencephalon,
myelencephalon en metencephalon
Baby (hersenstructuren die je bij volwassenen ook
terugvindt):
, • Telencephalon bestaat uit het cerebrum (grote hersenen) met basale ganglia
• Diencephalon bestaat uit de thalamus, hypothalamus en epithalamus
• Mesencephalon blijft de middenhersenen (kleine hersenen)
• Metencephalon bestaat uit de pons en cerebellum
• Myencephalon bestaat uit de medulla oblongata
CEREBRUM
• “winding” = gyrus
• “groeve” = sulcus
• “kloof” = fissura
Waarom hebben mensen zulke groeven in de
hersenen?
Muizen en ratten hebben een smooth brain. Meer
oppervlakte binnen éénzelfde hersenvolume
SULCI EN GYRI: ROL IN EVOLUTIE NAAR GROTERE COMPUTATIONELE CAPACITEIT IN
ZOOGDIEREN?
Bij primaten vind je de link terug tussen de grootte van het dier en de grootte van de hersenen. Die lineaire
correlatie heb je ook in de evolutie van de mensen, maar hier heb je een grotere drijfveer om voor
eenzelfde grootte van het lichaam toch grotere hersenen te gaan ontwikkelen. Zelfs dan nog zie je dat
neanderthalers een grotere intracraniële volume hadden dan mensen. Dus, als je het hersenvolume gaat
nemen als maatstaf voor intelligentie, dan zouden potvissen de meest intelligente dieren moeten zijn, of
in dit voorbeeld neanderthalers.
Het is dus meer dan dat: Een groot oppervlak van de cortex ➔ meer corticale neuronen binnen
eenzelfde volume + aantal neuronen + intensiteit neuronen + geleidingsnelheid van zenuwvezels, … . Dan
kom je typisch aan factoren die bijdragen aan de computationele capaciteit van de hersenen.
Dat is waarom we die gyry en solci hebben (=
meer neuronen binnen eenzelfde volume =
meer computationele capaciteit)
Bv. metafoor grootte laptop die niet perse méér
praktisch is
,Grijze stof: hier zitten vnl.
cellichamen van zenuwcellen
Witte stof: hier heb je
zenuwbundels die
gemyeliniseerd zijn en dat
bepaald waarom ze die witte
kleur hebben
De menselijke cerebrale cortex is opgebouwd in zes
verschillende lagen:
1. Moleculaire laag (buitenste laag): zenuwvezels
waar informatie in de cortex komt. Deze info wordt
verder verwerkt in diepere lagen
2. Externe granulaire laag: bevat pyramidale en niet-
pyramidale neuronen (interneuronen)
3. Externe pyramidale laag: bevatten pyramidale
neuronen
4. Interne granulaire laag: gemengde populatie
5. Interne pyramidale laag: pyramidale populatie
6. Multiforme laag: gemengd
De groottes van de neuronen variëren. Je hebt
verschillende lagen waarin binnenkomende informatie
gradueel verwerkt wordt in de cortex
FUNTIONELE ORGANISATIE
Functies in de hersenen zijn verdeeld over grotere circuits,
maar je hebt wel een aantal specialisaties (structuren met
duidelijk gespecialiseerde functies).
Rood: primaire motorcortex = heeft een motorfunctie met
daarbij supplementaire motorregio
Groen: sensoriële gebieden
• Somatosensorische cortex = houdt zich bezig met de
tastzin
• Insula en temporele kwab = auditieve cortex
• Occipitale kwab = visuele cortex
• Bulbus olfactorious = daar waar reukzin binnenkomt
,SOMATOSENSORIËLE CORTEX (TAST)
Signalen afkomstig van receptoren in de huid (voor warmte, koude,
tast, druk en pijn) worden via de dorsale hoorn van het ruggenmerg en
de thalamus geprojecteerd op de primaire somatosensorische
cortex (S1). Deze regio is in staat de juiste locatie van de prikkel vast
te stellen. De gevoeligste delen van het lichaam nemen representatief
de grootste oppervlakte.
De secondaire somatosensory cortex (S2) draagt bij tot de
gevoeligheid voor, en interpretatie van sensoriële prikkels.
Nota: zenuwvezels voor vitale sensibiliteit (warmte, koude, grove tast, druk, pijn) kruisen bij intrede in het
ruggenmerg (zie figuur), zenuwvezels voor epikritische sensibiliteit (fijne tast) kruisen pas in de medulla
oblongata.
VISUELE CORTEX (ZICHT)
Informatie uit het netvlies wordt via het optisch chiasme
(kruising!) via de colliculus superior (= optisch tectum) en de
laterale geniculate nucleus (= visuele thalamus) op de primaire
visuele cortex (V1) in de occipitaalkwab, geprojecteerd.
Rekrutering van de colliculus superior en geniculate nucleus
zorgt voor een oriënterende respons en verdere projecties naar
de amygdala (via mediodorsale thalamus voor colliculus
superior) zorgen voor interpretatie van potentiële bedreigingen.
De verworven visuele informatie wordt verder geïnterpreteerd
door visuele associatiegebieden van de cortex. De perirhinale
cortex draagt bij tot het herkennen (wat) en de entorhinale
cortex tot het herinneren (waar) van visuele informatie.
Bv. Iemand tegenkomen op straat. ‘Ik herken die van ergens’,
maar niet weten wie het is en van waar je die herkent
= zijn 2 verschillende structuren in de cortex.
1. Entorhinale cortex = laat toe om dingen écht te herinneren, slaat aan bij de amygdala
2. Perirhinale cortex = detectie van familiariteit (je hebt iemand/iets al gezien)
Bv. Déjà vu = als de perirhinale cortex een foutje maakt, een signaal geeft van:‘ Ah je hebt dat al gezien’.
Dan voel je van: ‘Ah ja, inderdaad ik heb dat al gezien.’. Ook al ben je op
die plaats nog nooit geweest. Je kent dit, maar eigenlijk ken je dit niet.
AUDITIEVE CORTEX (GEHOOR)
Informatie uit het de cochlea (gehoororgaan) wordt via de pons, de
colliculus inferior (= auditieve tectum) en de mediale geniculate
nucleus (= auditieve thalamus) op de primaire auditieve cortex (A1),
ter hoogte van de insula en temporale kwab, geprojecteerd.
Rekrutering van de colliculus inferior en mediale geniculate nucleus
draagt bij tot oriëntatie naar auditieve prikkels. Verdere projecties naar
,de amygdala (via mediodorsale thalamus voor colliculus inferior) dragen bij tot detectie van potentiële
bedreigingen.
De verworven auditieve informatie wordt verder geïnterpreteerd door omliggende secundaire auditieve
cortex (A2). Dit laat ons begrijpen wat we horen.
GUSTATIEVE CORTEX (SMAAK)
Informatie uit smaaksensoren in de tong wordt via craniale zenuwen (VII, IX, X)
geprojecteerd op de nucleus solitarius van de medulla oblongata en via de ventrale
posteromediale thalamus (gustatieve thalamus) verder geprojecteerd op de gustatieve
cortex (ter hoogte van de insula en frontaal operculum).
OLFACTORISCHE CORTEX (REUK)
Informatie uit het olfactorisch epitheel wordt rechtstreeks geprojecteerd op
de primaire olfactorische cortex (piriforme cortex en periamygdaloid cortex),
zonder passage langs de thalamus.
De verworven informatie wordt verder verwerkt door de naburige amygdala,
entorhinale cortex, perirhinale cortex en parahippocampale cortex.
Het olfactorisch systeem is dus zeer nauw verbonden met het limbisch
systeem. Dit verklaart waarom reukprikkels een sterke en rechtstreekse
impact kunnen hebben op emoties en herinneringen.
Hoe reuk impact kan hebben op emoties?
• Wat je ruikt doet je bv. herinneren aan je oma of een gerecht.
• Die reukzin en het feit dat je daar meteen emotionele respons op krijgt en
herinneringen bij kan ophalen, komt net omdat je een sterke rechtstreekse
connectie hebt met het limbisch system en de amygdala die emoties gaat
controleren met de hypocampus; die episodische herinneringen gaat
controleren.
MOTORCORTEX ( P R I M A I R E M O T O R I S C H E C O R T E X )
Stuurt willekeurige bewegingen aan. Neuronen in de motorcortex
projecteren via de pyramiden van de medulla oblongata naar de ventrale
hoorn van het ruggemerg. Motorneuronen sturen vervolgens skeletspieren
aan. Dit is het zogenaamde pyramidale systeem voor motoriek.
Voor het uitvoeren van fijnere motoriek zijn meer zenuwcellen betrokken
dan voor het uitvoeren van grovere bewegingen. Bepaalde lichaamsdelen
(zoals tong, lippen, duim) nemen bijgevolg relatief grote delen in van de
primaire motorische cortex van de frontaalkwab (= homunculus).
De supplementaire motorgebieden dragen bij tot het plannen en
uitvoeren van complexe bewegingen. Het gebied van Broca draagt bij tot spraak.
, STRIATUM EN GLOBUS PALLIDUS
Het striatum (caudate nucleus en putamen) en de globus pallidus zijn cerebrale structuren die deel
uitmaken van de basale ganglia. Deze subcorticale hersenkernen zijn betrokken in:
• Beloning en motivatie, aanleren en uitvoeren van
doelgericht gedrag (impulsief en compulsief gedrag).
o Ventrale deel
• Automatiseren van complexe motoriek en
gewoontevorming. De basale ganglia maken deel uit van
het extrapyramidaal systeem voor motoriek. De basale
ganglia beïnvloeden de zenuwbanen van het pyramidaal
systeem om motorbewegingen aan te sturen.
o Dorsale deel
AMYGDALA
De amygdala maken deel uit van de mediale temporale kwab. Ze
reageren op nieuwe stimuli (verrassing), ze coderen de emotionele
toestand (happy/fearful/angry/disgusted), dragen bij tot het opslaan
van de emotionele lading van stimuli (associatief leren) en tot de
selectie van aangepast (reflexief) gedrag (fight/flight/freeze). De
amygdala controleren eveneens de overeenkomstige autonome
(sympathisch zenuwstelsel) en endocriene respons (HPA-as).
• Autonome respons = autonoom ZS: sympathisch ZS
• Endocriene respons = stressrespons: cortisol (gaat trager dan
autonome respons)
HIPPOCAMPUS
De hippocampus maakt deel uit van de mediale temporale kwab en speelt een kritische
rol bij het coderen van contextuele en emotionele informatie (= geheugenvorming).
Deze dorsale hippocampus draagt voornamelijk bij tot ruimtelijke oriëntering en het
opslaan en ophalen van episodische herinneringen.
De ventrale hippocampus speelt een meer prominente rol bij het verwerken van emotionele informatie.
PREFRONTALE CORTEX
De prefrontale cortex speelt een kritische rol bij aandacht, werkgeheugen
en executieve functies. De prefrontale cortex staat in voor het ontwikkelen
van actieplannen, gebaseerd op ervaring en rekening houdend met huidige
en toekomstige doelstellingen. De prefrontale cortex speelt eveneens een
belangrijke rol bij emotieregulatie en gedragsflexibiliteit, hetgeen
noodzakelijk is om doelstellingen te behalen met fluctuerende
interoceptieve en affectieve status in een veranderlijke omgeving.
DIENCEPHALON EN HERSENSTAM
= subcorticale structuren