Samenvatting sociologie
hoofdstuk 4: sociale stratificatie
1: sociale stratificatie, de gelaagdheid van de samenleving
Zit een sterk patroon in
Er is verschuiving
Horizontaal
Functionele differentiatie: in de samenleving deelden mensen functies
die er bestonden
Niet altijd zo geweest
Neutraal
Verticaal
Sociale stratificatie (=sociale ongelijkheid)
We rankschikken de boven- en onderschikking van functies
De ene heeft meer toegang op diensten (geld, gsm, eten,
gezondheid, veiligheid, ...) dan de andere, waarom? -> je behoort
tot een bepaalde positie in de samenleving
Rangschikking is niet altijd op dezelfde manier, is jouw persoonlijk
oordeel, tock kennen we die orde
Leidt tot discriminatie
Zowat in elke samenleving
Niet neutraal: (geïnstitutionaliseerde) ongelijke toegang tot
gewaardeerde middelen, diensten, posities omdat je tot een bep’e
groep behoort
Taal van hoger/lager, en discriminatie
Dynamisch (vb. leerkracht, pastoor, politici…)
, 2: geschiedenis en soorten sociale stratificatie
( er bestaan meerdere vormen van sociale stratificatie, wij bespreken er
3)
Fabel:
Nomadische groepen: weinig functionele differentiatie
(vaak gedacht naar geslacht) én weinig sociale
stratificatie
Dus: grote gelijkheid binnen sociale groepen:
gelijklopende sociale rollen, inkomen, status, (kans op)
gezondheid,…
Ontstaan landbouw: start ongelijkheid
Vroeger werden de taken verdeeld, er was weinig stratificatie
-> grote gelijkheid, status was gelijk, inkomen vrij verdeeld
Wanneer we gestopt zijn met rondtrekken en aan landbouw zijn
gestart->start van ongelijkheid:
Investeerden in grond
Voorraad aanleggen
Wie gaat dat beheren? -> er ontstaat een baas
Feiten:
Ontzettend grote verschillen in sociale organisatie doorheen de
vroege menselijke geschiedenis
Breuk tussen beide was eigenlijk niet zo strict
Soorten stratificatiesystemen:
1: slavernij
De tot slaaf gemaakte mens is bezit van een eigenaar
(Met vaak nog andere stratificatiemechanismen tussen niet-tot-
slaaf-gemaakten)
hoofdstuk 4: sociale stratificatie
1: sociale stratificatie, de gelaagdheid van de samenleving
Zit een sterk patroon in
Er is verschuiving
Horizontaal
Functionele differentiatie: in de samenleving deelden mensen functies
die er bestonden
Niet altijd zo geweest
Neutraal
Verticaal
Sociale stratificatie (=sociale ongelijkheid)
We rankschikken de boven- en onderschikking van functies
De ene heeft meer toegang op diensten (geld, gsm, eten,
gezondheid, veiligheid, ...) dan de andere, waarom? -> je behoort
tot een bepaalde positie in de samenleving
Rangschikking is niet altijd op dezelfde manier, is jouw persoonlijk
oordeel, tock kennen we die orde
Leidt tot discriminatie
Zowat in elke samenleving
Niet neutraal: (geïnstitutionaliseerde) ongelijke toegang tot
gewaardeerde middelen, diensten, posities omdat je tot een bep’e
groep behoort
Taal van hoger/lager, en discriminatie
Dynamisch (vb. leerkracht, pastoor, politici…)
, 2: geschiedenis en soorten sociale stratificatie
( er bestaan meerdere vormen van sociale stratificatie, wij bespreken er
3)
Fabel:
Nomadische groepen: weinig functionele differentiatie
(vaak gedacht naar geslacht) én weinig sociale
stratificatie
Dus: grote gelijkheid binnen sociale groepen:
gelijklopende sociale rollen, inkomen, status, (kans op)
gezondheid,…
Ontstaan landbouw: start ongelijkheid
Vroeger werden de taken verdeeld, er was weinig stratificatie
-> grote gelijkheid, status was gelijk, inkomen vrij verdeeld
Wanneer we gestopt zijn met rondtrekken en aan landbouw zijn
gestart->start van ongelijkheid:
Investeerden in grond
Voorraad aanleggen
Wie gaat dat beheren? -> er ontstaat een baas
Feiten:
Ontzettend grote verschillen in sociale organisatie doorheen de
vroege menselijke geschiedenis
Breuk tussen beide was eigenlijk niet zo strict
Soorten stratificatiesystemen:
1: slavernij
De tot slaaf gemaakte mens is bezit van een eigenaar
(Met vaak nog andere stratificatiemechanismen tussen niet-tot-
slaaf-gemaakten)