Ontstaan van de zwangerschap:
Bevruchting en implantatie
o Conceptie in de ampulla in de eileiders
o Morula
o Blastocyt
o Implanten in endometrium
o Implantatie vanaf dag 7
link tussen bloedvaten embryo en moeder
Placenta: ontstaan en functie
o 3 lagen:
Basale plaat
Intervilieuze ruimte
chorionplaat
o heeft twee kanten:
foetus: vruchtzak
moeder: baarmoederwand
o in navelstreng: 3 bloedvaten cotilidonen (tussenschotjes)
o de bloedvaten vertakken zich in kleine lobjes + verbinden zich met de
baarmoederarteriën O2rijke bloed moeder in contact met bloedvaten foetus
Vruchtwater
o Begin ZS: voornamelijk maternaal (serumexsudaat)
o Vorderende ZW:
Toenemend foetaal aandeel: urineproductie en foetaal longvocht
o Normaal: max 3l op 30 weken
o Polyhydrangion: te veel vruchtwater zwangerschapsdiabetes
o Oligohydrangion: te weinig vruchtwater water gebroken of slechte moederkoek of
kleine baby
o Rol:
AHbewegingen en ontwikkeling van de longen (weinig vruchtwater, anders
longhypoplasie)
Groei en foetale bewegingen
Mechanische functie: gesloten vochtcompartiment = schokdempend
Placenta bij de bevalling
o 500-600g
o 15-25 cm
o 3 cm dik
o Foetale zijde: gladde zijde bedekt met amnion met hieronder choriale plaat
waarop navelstreng is ingeplant
o Maternele zijde: wisselend aantal lobuli door septa van elkaar gescheiden; zit vast
aan de baarmoederwand
1
, Navelstreng bij de bevalling
o 55 cm
o 3 vaten: 2 arteriën (aa. umbilicales: brengen O2rijke naar kind) bloed en 1 vene (v.
umbilicalis: O2 arme bloed naar moeder)
o Gelei van Wharton gelatineuze massa rond aa. en v. zodat deze niet makkelijk plat
gekregen worden (Na de geboorte zorgt dit bindweefsel onder invloed
van temperatuursveranderingen voor het natuurlijk afknellen van
de navelstrengbloedvaten, zodat er een einde komt aan de foetale bloedsomloop).
o Bedekt met amnion
o SUA = single umbilical artery
o Insertie: centraal/excentrisch/marginaal/velamenteus
liefst in midden placenta: meest kans op goede doorbloeding
als vliezen breken, dan breken de bloedvaten van het kind ook (zeldzaam)
Fysiologische aanpassingen aan de ZS: genitaal stelsel
Uterus
o Plaats baarmoeder
16 weken: 1/3 schaambeen en navel, net op navel
24 weken: BM net boven navel; 1/3 navel en xyphoïd
32 weken: helft navel en xyphoïd
38 weken: 2/3 tussen navel en xyphoïd
o Samenstelling corpus
Vnl spiercellen die toenemen in grootte, niet aantal: hypertrofie myocyten
Peervorm
Leiomyocyten in 3 lagen: 8-vormig rond de bloedvaten (glad spierweefsel)
o Contractiliteit
Ongecoördineerd in begin
Braxton-hickx: < 25 mmHg (= de oefenweeën die als buikkrampen
aanvoelen)
o Uteroplacentaire circulatie: aa. uterinae en ovaricae
Toename flow tot 450)650 ml/min
Dalend tijdens de contracties
Cervix
o Zachter + cyanose (teken van Chadwick)
o Verhoogde vascularisatie
o Hyperplasie – en trofie van cervicale klieren
o Oedeemvorming
Ovaria
o Stagnatie follikelmaturatie: liggen stil tijdens de ZS
o Corpus luteum (eicel verlaat follikel) > corpus gravidarum (productie van hormonen
o Verwijdering <7 weken miskraam
belangrijk om die te behouden want het verwijderen van een cyste leidt tot een
miskraam
2